Afghanistan en onze economische crisis

Het hele Westen is diep vervuld van zijn eigen economische crisis. Geen wonder. Aan goede raad is geen gebrek, maar de verzamelde adviezen naderen tot een chaos op zichzelf, en geen ontwerp voor een oplossing heeft de overtuigingskracht die een noodzakelijke eenheid tot actie kan bewerkstelligen. Sinds ongeveer een maand is door de zich snel verbreidende Occupy-beweging de concentratie op onze eigen treurige toestand nog versterkt.

Het protest heeft geen oplossing, het verzet zich alleen tegen de banken die de kredietcrisis hebben veroorzaakt, tegen de topmanagers die ondanks de groeiende misère hun bonussen blijven incasseren. In die kringen is geen waarneembare neiging tot zelfbeperking. Zo wordt deze samenleving langzamerhand het toneel van een ontluikende klassenstrijd, langs vage fronten, zonder leiders en organisaties.

Het ligt voor de hand dat de media zich hierop concentreren. Dat doen ze, vrijwel zonder uitzondering. Het gevolg is dat de problemen met het grote, gecompliceerde buitenland, die ons een paar jaar geleden nog bezighielden, geleidelijk naar de marge zijn verdwenen. Dit stukje gaat verder over deze marge.

In deze krant stond maandag op pagina 8 onder een éénkoloms kop een berichtje: ‘1.600 militairen met mentale problemen’. Van de 16.000 militairen die tussen 2006 en 2010 naar Uruzgan zijn uitgezonden hebben er 1.600 ernstige klachten: vermoeidheid, woedeaanvallen, slapeloosheid, een drankprobleem. Samengevat: een posttraumatisch stresssyndroom. Het ministerie van Defensie biedt hulp aan, maar die wordt door twintig procent afgewezen.

De toestand waarin ze verkeren is een consequentie van de buitenlandse politiek die door de kabinetten-Balkenende is gevoerd en door het kabinet-Rutte in grote trekken voortgezet. Dit beleid berustte om het vriendelijk te zeggen van het begin af op een vergissing. ‘We’, dat wil zeggen de soldaten gingen in eerste instantie uit menslievende overwegingen naar Uruzgan. Een opbouwmissie, scholen bouwen, waterputten slaan. De werkelijkheid werd al vlug heel anders. De opbouwmissie werd tot vechtmissie, met tenslotte 23 gesneuvelden. Toch zag minister Eimert van Middelkoop nog kans de missie te verlengen.

Ook toen al was het duidelijk dat de Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan binnen het grote geheel vergeefs was. De missie heeft van het begin af deel uitgemaakt van een grote geallieerde operatie onder leiding van de Amerikanen, toen en nu nog. Van het begin af hebben ze een experimentele oorlog gevoerd. Als de ene strategie mislukt was, werd het op een andere manier geprobeerd. Sommige bondgenoten kregen er genoeg van. Maar door een tragikomedie waarin Jolande Sap, fractieleider van GroenLinks de hoofdrol speelde, kwamen de Nederlanders toch weer terug, nu in Kunduz, niet om te vechten, dat was voortaan streng verboden, maar om Afghaanse politie op te leiden. Die mocht ook niet vechten. Vreedzamer kun je je het niet voorstellen.

In Afghanistan gaat alles altijd anders dan in Den Haag (en Washington) wordt verwacht. Uit Kunduz horen we tot dusver niets dat buitengewoon alarmerend klinkt, al is het er minder veilig dan we veronderstelden toen onze vijfhonderd jongens en meiden vertrokken. (Zie ook de reportage van Emilie van Outeren in deze krant van gisteren.) Maar het gaat nu over Afghanistan als geheel. Ondanks een scherpe stijging van het aantal moorden, een voortdurende toevloed van gewonden en een frequentie van aanvallen die hoger is dan twee jaar geleden, is de NAVO van mening dat de Talibaan het initiatief in de strijd is kwijtgeraakt. Dat meldt de International Herald Tribune van eergisteren. Maar wel vraagt men zich af of, nadat Amerika dit jaar 10.000 man heeft teruggetrokken, en volgend jaar nog eens 23.000, dit succes behouden kan blijven. In de eerste helft van 2011 zijn er 1.462 mensen vermoord, dat is 15 procent meer dan in dezelfde periode van het vorig jaar. Is dat een moedgevend aantal?

Dan een andere kant van het strijdtoneel. Uit het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan, waar de Talibaan veel schuilplaatsen en uitvalsbases hebben, wordt een toenemend aantal raketten afgevuurd. De rol van Pakistan in het conflict wordt steeds dubieuzer, de Pakistaanse geheime dienst wordt er vooral van verdacht om in het geheim met het Afghaanse verzet samen te werken. Intussen wordt het er, volgens een reportage in dezelfde krant, in Kabul ook niet veiliger op. Bezoekers aan het regeringscentrum, in het bijzonder de president persoonlijk, moeten hun tulband afdoen, omdat de verdenking bestaat dat daar weleens een bom in zou kunnen zitten.

Dit is een kleine bloemlezing uit de recente berichtgeving. Mij dunkt dat daar maar één conclusie uit kan worden getrokken. De toestand is er anders, maar even chaotisch als drie, vijf of acht jaar geleden. Het principiële verschil is, dat aan onze kant van het front de verhoudingen zijn veranderd.

Tien jaar na 9/11 is het Westen oorlogsmoe geworden, dat om te beginnen. Dat zouden we waarschijnlijk ook zijn als het ons economisch voor de wind ging. Maar de crisis heeft hier een algemeen gevoel van malaise veroorzaakt, gepaard aan een toenemende weerzin tegen alle buitenlandse oorlogsexperimenten. De ontwikkeling van tien jaar aan de fronten geeft de sceptici gelijk. Weg uit de bodemloze put van Afghanistan.