Vooral aandacht voor Mooie Mario

Mario Cipollini maakt reclame voor zijn fietsen, die hij vergelijkt met Ferrari’s.

De Italiaanse oud-renner heeft in elk geval geen gebrek aan aandacht.

15-10-2011, Utrecht. Mario Cipollini op de BikeMotion beurs in Utrecht. Foto Bas Czerwinski

Mario Cipollini staat erbij als ‘Mooie Mario’. Gebronsde huid, onberispelijk wit overhemd, hippe jeans en het haar strak achterover. Hij kijkt de wereld in met zijn mooiste tandpastalach.

Cipollini is in de Jaarbeurs in Utrecht, waar hij tijdens de jaarlijkse Bikemotion reclame maakt voor zijn fietsenmerk, MCipollini. Zijn aanwezigheid werkt als een magneet. Na een paar minuten staan er tientallen fotografen en handtekeningenjagers rond de stand. Vrouwen vergapen zich aan de Italiaan. Voordat Cipollini met het vrouwelijk schoon op de foto gaat, inspecteert hij eerst de knoopjes van zijn overhemd. Geraffineerd opent hij de bovenste twee, waaronder zijn gebruinde borstkas prijkt. Je bent een playboy of je bent het niet.

Vreemd is de overweldigende belangstelling niet. Cipollini staat in eigen land bekend als een campionissimo; een kampioen der kampioenen. Hij won 42 etappes in de Giro d’Italia (een record), twaalf ritten in de Tour de France en kwam drie keer als eerste over de meet in de Vuelta a España. In 2002 zette hij de kroon op zijn carrière toen hij wereldkampioen werd in Zolder, België.

Cipollini (44) laat zich de aandacht welgevallen. Zodra hij zich verplaatst, verplaatsen de bewondering en lach zich met hem mee. Alsof hij geen kwaad kan doen. Alsof hij zich voortdurend op de rode loper bevindt. Zijn leven lang hoort hij al ‘bravo, bravo, bravo’.

Hij is het gewend, zegt Cipollini, terwijl hij leunt over een frame van vijfduizend euro. Is het moeilijk om Mario Cipollini te zijn? De Italiaan, in 2008 gestopt als wielrenner, haalt zijn schouders op. „Ik vind mezelf een vrij normale man”, klinkt het ineens serieus. „Het respect en de aandacht van mensen heb ik nooit als een last ervaren. Dat zou ook niet goed zijn. Ik ben eraan gewend geraakt.”

Het witte frame waarop hij leunt, is Made in Italy. Het is een replica van de fiets waarmee Cipollini wereldkampioen werd. „Italianen vinden dat ze de beste fietsen ter wereld maken. Dat was voor mij ook een voorwaarde bij het starten van mijn fietsenmerk. Mijn fiets moet het beste van het beste zijn, net als ik vroeger als renner eiste. En uiteraard speelt het uiterlijk ook mee.”

Cipollini vergelijkt zijn fietsen met een Ferrari. Exclusief, gestroomlijnd, mooi en – uiteraard – stevig aan de prijs. „Maar mijn fietsen zijn eigenlijk beter dan een Ferrari”, lacht hij als ervaringsdeskundige. „Mijn frames zijn in elk geval niet zo stug.”

Alles valt of staat bij het gevoel van een renner, vervolgt Cipollini. „Feeling”, zegt hij, „het draait allemaal om feeling. Een renner moet één met z’n fiets zijn en vertrouwen in zijn materiaal hebben. In Zolder kwam voor mij alles samen als renner. Ik was topfit, had perfect materiaal en kon op die manier wereldkampioen worden.”

Na zijn carrière bleef het even stil rond Cipollini. Hij werd genoemd in het dopingschandaal rond de Spaanse arts Fuentes, werkte aan een comeback (bij een kleine ploeg, Rock & Republic’s) en ging aan de slag als adviseur voor de Russische ploeg Katjoesja. „Na mijn wielercarrière was het niet makkelijk om iets vervangend te vinden”, zegt hij openhartig. „Vergelijk het met Roger Federer, die op een dag stopt met tennis. Zal hij ooit iets vinden waarmee hij dezelfde emoties kan oproepen als een titel op Wimbledon? Dat is onmogelijk. Het kostte tijd om dat te accepteren.”

De herinneringen aan zijn loopbaan zijn zoet. Cipollini vindt zijn periode als renner als een wonder zo mooi. „Ik kijk er met veel voldoening op terug. Een doorbraak als coureur was niet zo makkelijk in de jaren negentig”, weet hij. „Ik was sprinter, moest na een week vaak afstappen in de Tour de France. Zo hard ging het peloton. Dan vloog ik terug naar huis en lag ik de laatste twee weken van de Tour op het strand. Tegenwoordig rijden sprinters de hele Tour uit. Er zijn veel meer beroepsrenners dan vroeger. Ik heb nog echt moeten knokken voor mijn plek.”