Toch geen zelfmoord

Biografen Naifeh en Smith rekenen af met de mythe dat Van Gogh een zoekende ziel in een vervuilde wereld was.

Hij was een manische manipulator en dwingeland.

Vincent van Gogh, Zelfportet Parijs, april-juni 1887 Olieverf op karton 32.8 x 24 cm Foto: Kröller-Müller Museum

Was het moord? Was het toch niet Van Gogh zelf die de trekker overhaalde? De Amerikaanse auteurs Steven Naifeh en Gregory White Smith besluiten hun biografie Van Gogh – The Life met een onverwachte hypothese over de laatste dagen van de schilder: Van Gogh stierf op 29 juli 1890 niet door zelfmoord. Zijn dood was het fatale gevolg van een uit de hand gelopen pesterij door een paar schooljongens.

Dat de zwaargewonde Vincent – hij overleed twee dagen na het schot in de armen van zijn broer Theo –, volhield dat hij zichzelf had verwond, deed hij omdat hij de jongens wilde beschermen. Bovendien wilde hij Theo niet langer tot last zijn.

Leven en kunst van Vincent van Gogh zijn een onuitputtelijke bron van theorieën en speculaties – van milde tot wilde. Zo’n anderhalf jaar geleden beweerden Duitse wetenschappers bij hoog en bij laag dat het Paul Gauguin was die tijdens de beruchte ruzie in het Gele Huis in Arles met een sabel het oor van Van Gogh had verminkt. Die theorie wordt door Naifeh en Smith krachtig verworpen.

Maar hoe overtuigend is hún ‘onthulling’ ?

Eerst iets over de biografie zelf. Ik heb die ademloos uitgelezen. Het is zonder meer de meest gedetailleerde en ook de beste biografie van Van Gogh. Naifeh en Smith verwerkten een ontzagwekkende hoeveelheid materiaal in een relaas dat ruim negenhonderd bladzijden beslaat en toch vrijwel nergens vaart verliest.

Bovendien, en dat is belangrijker, lukt het hun Vincent dicht op de huid te zitten. Zo dicht dat het soms bijna pijn doet. Want hun Vincent van Gogh beantwoordt nergens aan de mythe van de oprecht zoekende ziel in een vervuilde wereld. Deze biografie toont een manische man die de werkelijkheid consequent ondergeschikt maakte aan zijn radicale verbeelding. Wat hij in zijn hoofd had was belangrijker dan wat hij zag, of beter: wat hij zag, paste hij aan aan wat hij in zijn hoofd had.

Dat deed hij niet alleen in zijn werk, waarvan zijn biografen de razendsnelle ontwikkeling in kaart brengen, maar ook in zijn menselijke relaties. Wanneer mensen zich niet voegden naar het sterk geïdealiseerde beeld dat Vincent van hen had, werd er hard afgerekend. Steeds opnieuw eiste hij de totale overgave; de minste aarzeling van de kant van de ander werd als hoogverraad beschouwd, waarop radicale afwijzing volgde. Het was alles of niets.

Ook de later zo sterk geromantiseerde relatie met zijn broer Theo voltrok zich volgens die afmattende dynamiek. Naifeh en Smith laten overtuigend zien dat de brieven aan Theo niet gelezen moeten worden als oprechte getuigenissen; juist in de relatie met zijn broer toonde Vincent zich een manipulatieve dwingeland.

Steeds weer zoekt hij bevestiging, speelt hij familieleden tegen elkaar uit, probeert hij Theo met vertoon van pathos meer geld af te troggelen. De schrijnende armoede waarmee hij telkens schermt, is relatief.

In zijn obsessieve universum is voor spaarzaamheid geen plaats; hij maakt alles meteen op. Wanneer hij, na eindeloos vallen en opstaan, zijn roeping als schilder heeft gevonden, claimt hij op een gegeven moment de helft van het inkomen van Theo, die als kunsthandelaar in Parijs werkt en ook zijn ouders financieel moet ondersteunen.

Naifeh en Smith laten zien dat achter deze veeleisendheid, achter al deze emotionele chantage en manipulatie, een honger schuilging die niet te stillen was. Het verstoorde paradijs in het hoofd van Vincent was de pastorie in Zundert, waar hij opgroeide. Toen zijn eigen familie hem ontglipte, ging hij elders op zoek naar blijvende geborgenheid.

Dat dwangmatige verlangen loopt als een rode draad door de biografie: telkens weer probeert Van Gogh onvoorwaardelijke liefde of vriendschap af te dwingen, zielsverwantschap te claimen – of het nu een imaginaire verhouding is met de jonge Amsterdamse weduwe Kee Vos, die hij als zijn grote liefde beschouwde, of in het gedroomde kunstbroederschap met Theo of de schilders Van Rappard, Mauve en Gauguin.

Steeds weer schiet de werkelijkheid tekort. Wat volgt is woede, depressie, waanzin, schuldgevoel, deemoed. Dan gaat hij er met hervonden moed nog harder tegenaan.

Pleegt zo’n man zelfmoord? De auteurs zijn genuanceerd. Van Goghs neiging tot zelfverminking is onmiskenbaar. Wanneer de wereld zich niet naar hem voegde, richtte zijn agressie zich tegen zijn eigen lichaam. Regelmatig flirtte hij met het idee van zelfmoord, soms om anderen te chanteren, soms uit wanhoop.

Tijdens zijn manisch productieve laatste weken in Auvers-sur-Oise, een kunstenaarsdorp even ten noordoosten van Parijs, wisselden euforie en depressie elkaar af. Zijn broer Theo had inmiddels een vrouw en een kind – opnieuw een gemeenschap waarvan Vincent, al zijn dwingende inspanningen ten spijt, geen deel kon uitmaken.

Een heftige ruzie bij een bezoek aan Theo en zijn vrouw Jo in Parijs werd tot nu toe gezien als de indirecte aanleiding voor het fatale schot in de korenvelden buiten Auvers. Het intens sombere Korenveld met kraaien, dat lange tijd ten onrechte gold als zijn laatste schilderij, moest voor die theorie als bewijs dienen.

Maar Naifeh en Smith zetten daar stevige vraagtekens bij. Allereerst betwijfelen ze of Van Gogh doelbewust zelfmoord wilde plegen. Vervolgens houden ze de bekende feiten tegen het licht: waarom zat de kogel in zijn buik en niet in zijn hart of hoofd? Hoe kwam Van Gogh aan het pistool in een dorp waar wapens zeldzaam waren? Waarom werden het pistool en de schildersspullen waarmee hij eropuit was getrokken, niet teruggevonden hoewel de politie de volgende dag uitgebreid onderzoek deed?

Tegenover deze en vele andere vragen plaatsen ze hun hypothese. Van Gogh werd in het dorp Auvers zelf verwond, niet in de velden. De kogel was afkomstig uit een klein, onbetrouwbaar pistool, dat in het bezit was van een rijke scholier uit Parijs, René Secrétan, die met zijn broertje de zomers in Auvers doorbracht en niet ophield de eigenaardige schilder te pesten.

René paradeerde in Auvers in een cowboypak en werd door Van Gogh spottend Buffalo Bill genoemd. Waarom het schot gelost werd en door wie? Naifeh en Smith houden het op een uit de hand gelopen pesterij. „René had een verleden van tegen Vincent gerichte pesterijen, bedoeld om hem woedend te maken. Vincent had een verleden van heftige uitbarstingen, zeker waneer hij onder invloed van alcohol was.” Hun hypothese, die keurig in een appendix is ondergebracht, ondersteunen ze met verklaringen, onder andere van Secrétan zelf. Echt bewijs is er niet.

Veel maakt het niet uit. Een half gewenste, half lukrake dood van Vincent van Gogh past wellicht beter bij zijn struikelende bestaan dan een dramatische zelfmoord in de korenvelden van Auvers. Wat ons beeld van Vincent van Gogh verandert, is niet Naifehs en Smiths versie van zijn dood, maar hun relaas van zijn radeloze leven.

Steven Naifeh en Gregory White Smith: Van Gogh; The Life. Random House, 954 blz., € 39.De Nederlandse vertaling is gisteren verschenen: Vincent van Gogh, de biografie. Bert Bakker, 800 blz., € 39,95