Rebellen van Nul nog altijd actueel

Nul = 0. T/m 22 jan 2012, Stedelijk Museum Schiedam. Boek: 27,50. Henk Peeters. T/m 11 dec. Haags Gemeentemuseum. ‘Echt Peeters’- monografie over Henk Peeters: 39,95. ‘Acheiropoieta’ - monografie over Jan Henderikse: 58 euro. ****

Het duurde maar een jaar of vijf: toen ging ieder weer zijns weegs. Tussen 1961 en 1966 stampten ze zichzelf luidruchtig een weg naar buiten: de ‘parade der proleten’, zoals ze het noemden, met een vette knipoog naar het kunstestablishment. Beeldend kunstenaars Armando (1929), Jan Henderikse (1937), Henk Peeters (1925) en Jan Schoonhoven (1914-1994) vormden de harde kern van de ‘Nul-groep’. Daaromheen cirkelden dichters van ‘de nieuwe stijl’: Hans Verhagen, Hans Sleutelaar, Cor Vaandrager. Hun doel was een nieuwe kunst en poëzie ontwerpen die los was van iedere expressie en inging tegen de romantische verheerlijking van het individuele kunstenaarsgenie.

Dat klinkt een tikje stijf en formeel, maar Nul, zoals de groep kortweg heette, was een van revolutionair elan, humor en inventiviteit borrelend feest dat aan de poten zaagde van zo’n beetje ieder gezaghebbend cultureel instituut in Nederland. Leden van de groep belastten zich „met het opheffen van kunstkringen en het sluiten van tentoonstellingsruimten, waaraan dan eindelijk een waardiger bestemming gegeven kan worden”. Er werden manifesten geschreven die volstonden met uitspraken als: „Een schilderij is net zo goed als geen schilderij.” Of: „Nul kan gemist worden als kiespijn.” Vaandrager dichtte: „Er gaan 12 domme blondjes in een dozijn en 144 in een gros.”

Het Museum voor Moderne Kunst in Schiedam en het Haags Gemeentemuseum schenken nu uitgebreid aandacht aan Nul. Het Haags Gemeentemuseum doet het bescheiden, met een kleine ode aan de Haagse Henk Peeters. Het betrekkelijk kleine museum in Schiedam pakt groot uit, met een overzicht van de belangrijkste leden van de Nul-beweging (helaas zonder de dichters) en plaatst deze in de context van internationale avant-gardisten als Yves Klein en Lucio Fontana. Min of meer tegelijk met deze tentoonstellingen verschijnen twee monografieën, waarbij die over Jan Henderikse veel nieuw, nog nauwelijks bekend werk bevat.

Al die aandacht voor Nul is begrijpelijk. Want Nul is rebels, provocerend, in vergelijking tot buitenlandse geestverwanten als Gunther Ücker of Heinz Mack absoluut niet gedateerd, én: Nul is aangenaam dubbelzinnig. In hun afkeer van traditionele kunstenaarsmaterialen werkten Peeters, Henderikse, Schoonhoven en Armando met industriële materialen als plastic zakjes, een koelvitrine, flessen, autobanden, prikkeldraad en nylon. Met die grondstoffen zou hun handschrift onpersoonlijk, haast machinaal worden. Dat is wat de Nul-leden in geschriften, interviews en pamfletten beweerden na te streven. Archetypisch Nul-werk zou bestaan uit reeksen van uniforme en geïsoleerde vormen, objecten of verschijnselen. Die reeksen konden luciferdoosjes zijn (Jan Henderikse), wattenbollen (Henk Peeters), gelijkvormige witte vlakken (Jan Schoonhoven), kopspijkers en autobanden (Armando). Ordening kwam tot stand, zoals Schoonhoven het formuleerde, „uit de noodzaak voorkeur te vermijden”.

Maar loop je over de twee tentoonstellingen en blader je door de twee monografieën, dan zie je iets heel anders gebeuren. Nul bezingt niet de handschriftloosheid, maar juist het handschrift. Niet het onpersoonlijke en mechanische breekt naar buiten, maar juist het hyper-persoonlijke.

Wat een wereld van verschil tussen de pompeuze en zwaar symbolistische assemblages van prikkeldraad en autobanden die Armando in elkaar zette, en Schoonhovens meditatieve, etherische objecten van hout en wit papier-maché. Wat een verschil tussen de minimalistische waterplafonds en watermuren die Henk Peeters maakte en die nu voor de beide tentoonstellingen zijn gereconstrueerd, en de frivole werken van meesterbricoleur Jan Henderikse die drosteblikjes, koffielepeltjes, luciferdoosjes en oude stoppen verwerkte tot poëtische – ja eigenlijk gewoon ‘schilderijen’. Van alle ‘harde’ Nul-kunstenaars is Jan Henderikse nog steeds de meest inspirerende. Omdat hij met een verlokkende speelsheid van geest laat zien dat je overal kunst van kunt maken, overal kunst in kunt zien, als je maar goed om je heen kijkt.