Neanderthalers in Zuid-Limburg

Op 4,5 meter diepte in de Limburgse grond lagen stenen werktuigen van Neanderthalers – op de plek waar ze gemaakt zijn.

Archeologen hebben bij Sint Geertruid in Zuid-Limburg bijna honderdduizend jaar oude werktuigen van Neanderthalers gevonden. Dat heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) gisteren bekend gemaakt. „De vondst is vooral bijzonder, omdat de werktuigen zijn gevonden op de plek waar ze zijn gemaakt en achtergelaten”, zegt archeoloog Yannick Henk.

De afgelopen honderd jaar zijn in het gebied rond Sint Geertruid honderden, misschien wel duizenden artefacten uit de Steentijd gevonden. In bijna alle gevallen ging het echter om losse vondsten aan de oppervlakte. Dat maakte het lastig om de vondsten goed te dateren en om ze in een bepaald verband te brengen. De Neanderthalervindplaats die Henk nu samen met twee collega’s (een archeologe van de Universiteit Leuven en een Amerikaanse promovendus van de universiteit van Connecticut) heeft gevonden, is wel intact. „Op het plateau bij Sint Gertruid hebben we op zo’n 4,5 meter diepte in de löss een vuursteenkern gevonden met daarnaast een tiental afslagen en één werktuig. Nou weten we dus zeker dat hier Neanderthalers aan het werk zijn geweest. Analyse van eventuele gebruikssporen zal duidelijk moeten maken of en waarvoor het werktuig is gebruikt.”

Het is de tweede keer dat archeologen in Limburg werktuigen van Neanderthalers vinden op de plek waar ze zijn gemaakt. In de jaren negentig heeft de Leidse hoogleraar Wil Roebroeks, dé Neanderthalerexpert van Nederland, in de Belvedèregroeve bij Maastricht voor het eerst werktuigen opgegraven. Met een ouderdom van 300.000 jaar zijn dat nog steeds de oudste stenen werktuigen die in Nederland zijn gevonden.

„Jammer dat de RCE meteen de publiciteit heeft gezocht”, is Roebroeks’ eerste reactie op de vondst. „Beter was geweest om de vondsten eerst goed te dateren en te publiceren.” Henk en de Amerikaanse promovendus zijn oud-studenten van hem. „Ik ben vorige week ter plekke wezen kijken en kan wel zeggen dat hun claim dat de werktuigen 70.000 tot 100.000 jaar oud zijn klopt. Misschien zijn ze zelfs nog wat ouder.”

Opvallend is dat de nieuwe vindplaats in een gebied ligt dat al sinds 1979 als archeologisch monument geldt: hier liggen onder meer de vuursteenmijnen van Rijckholt uit het einde van het vierde millennium voor Christus. Henk: „Er is indertijd een groot gebied beschermd zonder precies te weten wat nu beschermd wordt. De afgelopen vier jaar is de rijksdienst bezig geweest met een inventarisatie. In dat kader hebben wij ons onderzoek gedaan.”

Volgens Henk en Roebroeks moet het gebied vol archeologische sporen zitten uit het Midden-Paleolithicum (300.000 tot 30.000 jaar geleden). Als het aan Roebroeks ligt, zou er in het gebied straks grootscheeps archeologisch onderzoek plaatsvinden. „Net zoals de Fransen doen in hun lössgebied in Noord-Frankrijk, wegens de aanleg van het Canal Seine-Nord Europe.”

Dat zal niet gebeuren, weet Henk, omdat het Nederlandse gebied niet bedreigd wordt. „Het is daarom al bijzonder dat we in een archeologisch monument proefsleuven mogen graven. Grootschalig opgraven zit er helemaal niet in.”

Dat betekent dat hij voorlopig niet toekomt aan een vergelijking tussen de verschillende typen werktuigen die Neanderthalers gebruikten. „Tot nu toe zijn vooral werktuigen bekend uit de vroegere rivierdalen. Het ligt voor de hand dat de Neanderthalers aan de oevers van de rivier ander werk deden dan op het hooggelegen plateau en daarvoor andere werktuigen gebruikten. Maar deze ene vindplaats is te weinig om daar uitspraken over te doen.”

Er is wel een schrale troost, zegt Henk: „Na de inventarisatie zal het wel mogelijk zijn te voorspellen waar nog meer vindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum zijn te verwachten.”