Naar de kinderfilm

Met de Nederlandse kinderfilm was ik lang niet meer in aanraking geweest, maar dankzij mijn kleinzoon Glenn kwam daar verandering in. Het was zondag en we vroegen ons af hoe we hem als gastgrootouders een zo prettig mogelijke middag konden bezorgen. Via de kermis op de Dam naar de bios? Het klonk goed.

De kermis was geen doel op zichzelf, meer een soort aperitiefje om de filmhonger op te wekken. Glenn is geen groot kermisganger. De vorige keer stelde hij zijn reusachtige suikerspin al na één weifelend hapje geheel belangeloos aan mij ter beschikking. Voor zweefmolens, spookhuizen en reuzenraden blijft hij meestal besluiteloos staan, hij heeft er gelukkig – net als zijn grootvader – niet écht zin in.

Het had ons nog heel wat kopzorgen gekost om een goede film uit te kiezen. Aan de filmkritiek heb je niks, die houdt zich liever bezig met Lars von Trier en Woody Allen. Wat moest het worden? Bennie stout? Cars 2? Patatje oorlog? Kung fu panda 2?

Zeg het maar – voor een jongetje van zes.

We vergeleken de beschrijvingen, keken naar de leeftijdscategorie en kozen ten slotte reuze verantwoord voor Sinterklaas en het raadsel van 5 december in Pathé De Munt. Niet mijn favoriete bioscoop, want de jeugd kan er nogal balorig zijn. De bioscoop heeft inmiddels tegenmaatregelen genomen: de bezoeker kan tijdens de voorstelling een alarm-sms’je naar een centraal nummer in het gebouw sturen, waarna enkele gespierde portiers komen ingrijpen. Zo kun je de vechtsport zowel op het doek als ervoor krijgen – en dat voor één prijs (9 euro).

Ik was bang dat Glenn zo’n enorme doos stinkende popcorn wilde meenemen, maar zijn favoriete snack bleken bugles te zijn, zoutige hoorntjes waar je snel aan verslaafd raakt, zoals ik merkte toen ik er een paar van probeerde; Glenn moest al snel zijn doosje met beide handen afschermen.

De film begon aardig, met Zwarte Pieten die van inbraak verdacht werden en een door boeven ontvoerde Sinterklaas. Maar daarna werd het verhaal steeds ingewikkelder, het ging over codes en satellieten en andere zaken die míjn verstand al bijna te boven gingen, laat staan dat van een 6-jarig kind. Bovendien begonnen de acteurs zich steeds meer aan te stellen in de veronderstelling dat kinderen zwakzinnige wezens zijn die alleen maar geboeid blijven door rare stemmetjes, gekke bekken en woeste gebaren.

Wáren het eigenlijk wel acteurs? Het werd steeds meer een parade van Bekende Nederlandse Zangers uit het schnabbelcircuit. Frans Duijts, Wolter Kroes (‘Ik heb een hele nacht liggen dromen’), Marga Bult, en de even onvermijdelijke als ontzettende Gerard Joling. En wat deed Jack Spijkerman daar? En Peter van der Vorst? En Astrid Joosten? En Frits Sissing?

Mijn god, ze acteerden.

Het ondraaglijkste was een soort van komisch duo, Joris en Boris. Joris was een man die zijn haar geel had geverfd en leuk dacht te zijn door doorlopend jankerig te praten en zijn gezicht in alle standen te verwringen. Later bleek dat Joris tevens de regisseur van de film was (Martijn van Nellestijn), wat veel verklaarde.

De film duurde anderhalf uur – ongeveer een uur te lang. Glenn viel één keer van zijn stoel en was in een zekere staat van verdoving toen we de bioscoop verlieten. „Die Joris…”, zei mijn vrouw. Ik knikte moedeloos. We namen Glenn mee naar een café, waar hij bij een glaasje Fanta kon bijkomen. De volgende keer moet het gewoon weer Artis worden.