Na vijven kun je hier een kanon afschieten

De lege en saaie binnenstad baart Rotterdam zorgen.

Er moeten meer mensen komen wonen, anders gaat de concurrentiepositie achteruit.

Zijn zakenrelaties ontvangt hij bij voorkeur elders. In elk geval niet in het centrum van Rotterdam. „Een lege en ongezellige stad, waar je ’s avonds na het diner nergens met goed fatsoen terechtkan met een buitenlandse gast.”

Begrijp hem niet verkeerd. Erick van Egeraat, internationaal gevierd en gelauwerd als architect, heeft geen afkeer van Rotterdam. Integendeel. Zijn architectenbureau heeft niet voor niets een vestiging in de tweede stad van Nederland. Maar als uitgaansstad ontbeert Rotterdam charme en allure, en dus aantrekkingskracht, meent Van Egeraat. Geen wonder dat veel hoogopgeleiden de stad links laten liggen. „Op de Lijnbaan kun je ’s avonds een kanon afschieten, zo leeg is het.”

Van Egeraat was onlangs te gast bij een symposium over de noodzaak om Rotterdam te transformeren tot een aantrekkelijke woon- en werkstad. De middag, georganiseerd door het belangrijkste economische adviesorgaan van de stad, de Economic Development Board Rotterdam (EDBR), leverde een spervuur aan opmerkingen en suggesties op. Over het kernprobleem waren de aanwezigen het roerend eens. Nu uit alle studies blijkt dat steden de komende decennia zullen fungeren als dé draaischijf van de economie moet Rotterdam haast maken. Vooral met de nu als „doods” en „saai” omschreven binnenstad. Zo niet, dan verliest de havenstad (610.000 inwoners) de concurrentieslag en blijft Rotterdam wat het nu is: een sfeerloos tochtgat waar bezoekers wegwaaien tussen de megalomane woon- en werktorens.

Een onvoorwaardelijke keuze voor het centrum zal dan ook de kern zijn van het advies dat de EDBR volgende maand aan het college zal overhandigen. „Het is kiezen of verliezen”, zo vatte EDBR-voorzitter Leendert Bikker het onlangs al kernachtig samen bij de presentatie van de jongste cijfers over de binnenstad. Die tonen een voorzichtig opgaande lijn: meer dagjesmensen, meer inwoners, meer omzet, hogere waarderingscijfers.

Maar de groei verloopt te traag, benadrukt Bikker, directeur van een communicatie- en adviesbureau. De binnenstad van Rotterdam heeft dringend „een kritische massa” nodig, heel véél meer massa dan nu het geval is. „We moeten van 30.000 naar 60.000 inwoners.”

Het is een simpele economische wetmatigheid: meer inwoners betekent meer levendigheid, meer uitgaven en meer investeringen. Het is volgens de EDBR „een veeg teken” dat veel ondernemers in het stadshart momenteel twijfelen of zij hun huurcontract zullen verlengen.

Anno 2011 wonen in het centrum (negen wijken) welgeteld 31.835 mensen, grofweg 5 procent van het totaal aantal inwoners. Rotterdam is met dat bescheiden aantal een dissonant onder de Nederlandse steden: in een ‘gewone’ stad woont 10 procent in het centrum. Onder die ruim 20.000 huishoudens bevinden zich bovendien veel eenpersoonshuishoudens en (te) weinig kapitaalkrachtige hoogopgeleiden en gezinnen.

Ook een andere belangrijke economische indicator, de WOZ-waarde van woningen, laat te wensen over. Die ligt in de binnenstad (191.000 euro) weliswaar hoger dan in de rest van Rotterdam (161.000 euro), maar blijft ver achter bij het landelijk gemiddelde: 243.000 euro.

Het huidige college (PvdA, VVD, D66 en CDA) heeft zichzelf ten doel gesteld om het inwonertal in 2014 met 5 procent opgekrikt te hebben. Bikker veegt de vloer aan met die „veel te lage” ambitie. „Even extrapoleren en dan is de klus in 2066 geklaard”, schampert hij. „Wie houdt wie hier voor de gek?” Werkgevers volgen steeds vaker (de wensen van) hun werknemers, waarschuwt Bikker. Willen die laatsten niet in Rotterdam wonen, om wat voor reden dan ook (woningaanbod, veiligheid, uitgaansleven), dan komt de concurrentiepositie van de stad in gevaar.

Uit onderzoek blijkt dat het economische belang van steden de komende decennia zal toenemen. In 2050 woont naar verwachting 70 procent van de wereldbevolking in steden. Rotterdam dient op zijn hoede te zijn, meent de EDBR.

Rotterdam wordt vaak getypeerd als een stad van scheve verhoudingen. Niet in de laatste plaats vanwege de onevenwichtige bevolkingssamenstelling: relatief veel laagopgeleiden, relatief weinig hoogopgeleiden. Ook op de arbeidsmarkt is sprake van een mismatch, zeker in de binnenstad. Tegenover bijna 32.000 bewoners staan 80.000 arbeidsplaatsen. In Amsterdam is dat bijna één op één: 80.000 inwoners, 80.000 banen.

Kortom: Rotterdam is wel een werkstad, maar geen woonstad. Aan het einde van de dag keren de forenzen massaal huiswaarts, veelal naar ‘veilige’ randgemeenten als Barendrecht, Lansingerland en Oud-Beijerland. En dus kan op de Lijnbaan aan het begin van de avond een kanon worden afgeschoten, zoals Van Egeraat opmerkte.

Bikker pleit voor een resolute omslag in het denken om de stad beter te positioneren als woonstad. Zijn recept? „Lagere grondprijzen, efficiënter bouwen en beleggers die met minder rendement genoegen nemen.”

Het liefst zou hij zien dat de stad en het Rijk niet langer vele miljoenen euro’s steken in de vijf achterstandswijken in Rotterdam-Zuid. Kapitaalvernietiging, meent hij. „Met de beste binnenstad van Nederland verbeter je structureel het economische profiel van Rotterdam. Dat is beter dan ongestructureerd en willekeurig geld pompen in projecten die, zodra de subsidie op is, in elkaar zakken door gebrek aan economisch draagvlak.”

Patrick van der Klooster, directeur van het architectuurcentrum AIR in Rotterdam, herkent zich in die noodkreet. „De kwaliteit van de binnenstad zal de komende decennia bepalen welke steden tot winnaar en welke tot verliezer gaan behoren.”

Probleem van Rotterdam zijn volgens hem de vele breuklijnen in de stad, meder ontstaan door het bombardement. „Bezoekers hebben daardoor vaak het gevoel dat ze van de ene ijsschots naar de andere moeten springen. Dat komt de beleving en de binding met de stad niet ten goede.”

Van der Klooster pleit voor meer particulier initiatief, zoals in Antwerpen. „Als je mensen aan je stad wil binden, moet je hun ook de mogelijkheid bieden om zelf wat toe te voegen.” Een stadsbouwmeester zou de regie moeten voeren bij deze „stedenbouw per kavel”, zegt hij. „Om wildwesttaferelen te voorkomen.”

En littekens draagt Rotterdam al voldoende, weet ook Gyz (spreek uit: Gijs) La Rivière. Hij is beeldend kunstenaar, en een geboren en een getogen Rotterdammer. Hij stelde vorig najaar een manifest samen, getiteld Rotterdam 2040. De stad is volgens hem in de vorige eeuw niet één keer gebombardeerd, maar wel drie keer. „Eerst door het fascisme, toen door het modernisme en tot slot door de stadsvernieuwing.” Het gevolg? „Een stad die op veel plekken pijn doet aan de ogen.” Het is vooral de sloopdrift uit de jaren zeventig geweest, die „hele horden Rotterdammers de stad heeft uitgejaagd”.