Mao leeft voort in de Chinese groeicijfers

Oeh! Was dat even schrikken vanmorgen. De economische groei in China kwam binnen op ‘slechts’ 9,1 procent in het derde kwartaal, na een groei van 9,5 in het tweede. Daarmee is de verwachte vertraging van de economische activiteit onderweg, zij het dat die zich voorlopig prima houdt aan de geleidelijkheid die de autoriteiten, met de People’s Bank of China voorop, graag zien.

Maar blijft dat zo? Investeringen maken zo’n 40 procent uit van het Chinese bruto binnenlands product. Dat is een factor drie hoger dan in volwassen economieën gangbaar is. Die investeringen groeiden nog steeds met tegen de 30 procent op jaarbasis. Detailhandelsverkopen zijn meer dan 17 procent omhoog. Wat de totale economische groei drukte was vooral een terugloop van het handelsoverschot, zo stelde ING vanmorgen in een eerste reactie.

De buitenwereld kan weinig anders dan de cijfers serieus nemen, want meer is er niet voorhanden. Maar het blijft letterlijk ongelofelijk dat China, met 1,3 miljard mensen in een wilde economie, drie weken na het aflopen van het kwartaal een cijfer kan plakken op de groei van het bruto binnenlands product. Een schep zout is hier op zijn plaats, want de gerapporteerde groei is ook nog eens zeer gelijkmatig. Verdacht gelijkmatig, eigenlijk. Zelfs tijdens de dotcom-crisis in 2000 en 2001, en de kredietcrisis van 2008 kwam de groei nooit onder de 6 procent, en veerde onmiddellijk weer op, met uitschieters tot 13 procent.

Hoe ging dat destijds met die andere opkomende economie, Japan? Sinds het herstel van de Tweede Wereldoorlog had dat land ook een forse economische groei, met een gemiddelde van zo’n 9 procent in de jaren vijftig en zestig. Maar dat was in een wereldeconomie die zelf ook fors groeide. En er waren enorme uitschieters – ook naar beneden. Japan deed gewoon mee aan de olierecessie van 1974. In de jaren tachtig liep de groei al terug naar volwassener cijfers van gemiddeld zo’n 4 procent, en hoe het allemaal afliep nadat de vastgoedzeepbel barstte, weten we sindsdien maar al te goed.

Kijk ook naar de VS tijdens hun opkomst. In de periode vanaf het einde van de burgeroorlog in 1865 tot de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bedroeg de economische groei daar gemiddeld 3,8 procent (tegen 1,9 procent in het Verenigd Koninkrijk). Slechts 3,8 procent voor een aanstormende wereldmacht in de hoogste versnelling? Ja, want er zaten flinke recessies tussen, al heetten die toen nog ‘depressies’. Het hele concept van een bbp was nog niet ontwikkeld en is pas veel later gereconstrueerd. De cijfers hier zijn terug te vinden op www.measuringworth.com, al moet de groeivoet zelf even worden uitgerekend.

We zien milde Amerikaanse depressies in 1875, in 1884 en 1885. Een forse depressie in 1893 (-5,8 procent), 1894 (-4,7) en 1896 (-1,6). Een dip in 1904 (-3,5) en een dijk van een depressie in 1908 (-10,8 procent).

Dat haalt het gemiddelde van de ‘Chinese’ expansiecijfers van de VS in de periode van vóór de Eerste Wereldoorlog natuurlijk flink naar beneden. En waarom ook niet? Het gaat in deze fase nu eenmaal met horten en stoten.

Dat het huidige wilde China daarentegen een kalme lijn van voortdurende hoge groei laat zien wijst volgens sommigen op een prima beheer van de economie. Maar het is waarschijnlijker dat het gaat om een goed management van de statistieken.

Maarten Schinkel