Bleef het stil in de zaal, dan had de componist gefaald

Het nu zo bedaarde klassieke muziekleven was ooit omgeven met chaos en rumoer. Wat is er gebeurd tussen de wilde pianorecitals van Franz Liszt en de lauwe ontvangst van recitals nu?

WFA48:SOERJADI SPEELT OP VLEUGEL LISZT:ZEIST:09APR2003 - Wibi Soerjadi bespeelt een uit 1862 stammende, door Franz List bespeelde, Bechstein vleugel, die vandaag werd bezorgd op zijn landgoed de Wulpenhorst. De pianist geeft binnenkort in het Concertgebouw een concert op dit historische instrument. Soerjadi krijgt de vleugel in bruikleen tgv het 150 jarig bestaan van de C. Bechstein Pianoforte fabriek in Berlijn. WFA/gt/str. Gerard Til WFA GERARD TIL

Ze leken waarschijnlijk nog het meeste op popconcerten: pianorecitals in de negentiende eeuw. Een lawaaierig publiek dat doorlopend klapt, en een solist die zijn toehoorders tot uitzinnigheid drijft. Het jubileum van Franz Liszt, deze maand precies tweehonderd jaar geleden geboren, nodigt uit tot reflectie, want de optredens van de ‘founding father’ van het moderne pianorecital deden in niets denken aan de gedrukte begrafenissfeer van het huidige klassieke concertleven.

Wat deed Liszt wat moderne pianisten niet meer doen? Vrijwel alles eigenlijk. Hij kwam vaak ruim voor aanvang de zaal binnen om met het publiek te kletsen en de dames naar hun plaatsen te geleiden. Eenmaal geïnstalleerd achter de vleugel, kondigde hij alle stukken zelf aan. Veel van wat hij speelde had hij zelf geschreven en tussendoor speelde hij ter plekke bedachte overgangen. Als klap op de vuurpijl volgde een verpletterend vertoon van improvisaties op verzoeknummers. Een recital van Liszt: je vergat het je leven niet.

Hoe kan het, dat in honderd jaar tijd het klassieke pianorecital, ooit zo spetterend, zo extreem geformaliseerd heeft kunnen raken? „Heel bepalend is de verandering van het concertrepertoire geweest”, legt Kenneth Hamilton (1963) uit, concertpianist en schrijver van After the Golden Age (2008), een spraakmakende studie over de geschiedenis van het klassieke concertleven. „Tegenwoordig worden in grote zalen allerlei stukken gespeeld, zoals sonates van Beethoven of fuga’s van Bach, die nooit voor publieke uitvoeringen bedoeld waren. Zulke stukken vragen om een aandachtige luisterhouding en werden daarom alleen gespeeld op huisconcerten, voor een kleine kring van connaisseurs. Maar die eerbiedige stilte heeft altijd iets geforceerds in een zaal met tweeduizend mensen.”

Nog groter is het probleem volgens Hamilton bij het meeste romantische pianorepertoire (zoals impromptu’s, rapsodieën, polonaises, karakterstukken) dat wel degelijk voor publieke concerten geschreven is, maar dus níét voor de stilte. Hamilton: „Virtuoos repertoire wordt tegenwoordig even plechtig beluisterd als een Beethoven-sonate, wat ronduit belachelijk is. Publieke stilte tijdens een Hongaarse rapsodie van Liszt kon in de tijd van de componist maar één ding betekenen: dat het stuk een mislukking was.”

Volgens Martijn van den Hoek (1955), concertpianist en Liszt-expert, ontbreekt het het moderne pianorecital bovenal aan vitaliteit. „Het sleutelwoord is levend musiceren. En dat begint met improvisatie, de basis van alle muziek maken. Door improvisatie leer je wat voor muziek bij je past. En pas daarna kun je ook je weg naar werk van andere componisten vinden. Geen persoonlijkheid zonder improvisatie. Jazz-musici zijn in dit opzicht de laatste der Mohikanen. Kijk naar Keith Jarrett, die door improvisatie een heel eigen stijl ontwikkelde en daarmee uiteindelijk zijn weg tot Bach vond. Zijn opname van het Wohltemperierte Klavier is wat mij betreft de beste die er is.”

Een grote verantwoordelijkheid ligt volgens Van den Hoek bij het muzikale establishment. „Improvisatie is op bijna geen enkel conservatorium onderdeel van het curriculum. En op het Liszt-concours neemt de jury nooit in de beoordeling mee of een deelnemer in staat is quasi-improvisatorisch te spelen, precies zoals Liszt dat bedoeld heeft.”

Zo heeft ook Wibi Soerjadi (1970) het ervaren, van wie deze week een nieuwe cd verscheen met zowel eigen werk (Amor & Psyche) als transcripties, een bewuste hommage aan de negentiende-eeuwse concertpraktijk. Soerjadi: „Tijdens mijn studietijd werd ik vaak vreemd aangekeken, terwijl in de negentiende eeuw componist en pianist altijd één waren. Chopin speelde bijna niets anders dan zijn eigen werken.”

Volgens Soerjadi hebben geluidsdragers een negatieve invloed op het muziekleven gehad. „Pianisten vergeten tegenwoordig vaak dat ze voor een publiek spelen, en niet voor een microfoon. Ze willen vooral fouten vermijden en nemen weinig risico’s. Maar op het podium ben je voortdurend in gesprek met je publiek. En daarop moet je je programma’s, maar ook je manier van spelen steeds weer aanpassen. Maar bijvoorbeeld ook praten tegen mijn publiek doe ik heel bewust om de kloof tussen mij en mijn toehoorders te verkleinen.”

Een leuk experiment zou het zijn: een ‘old-fashioned night’ in het Concertgebouw, met hapjes, wijn en tafeltjes. Volgens Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw, is voor veel concertbezoekers de hospitality erg belangrijk: hoe word je ontvangen? Is er iets te eten? Reinink: „Daarom starten we volgende maand een nieuwe concertserie, de ‘Concertgebouw Classics’. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt dan de bekendere, en niet te lange klassieke werken, met naar keuze een diner vooraf. Op die manier proberen we iets terug te halen van de meer informele sfeer die vroeger gebruikelijk was.”