Atelier aan zee, 100.000 jaar oud

Toen de mens begon te plannen, werd hij een moderne mens.

Kleurpoeder toont aan dat dat al heel vroeg gebeurde: honderdduizend jaar geleden.

Mogelijk zijn het de oudste make-updoosjes uit de geschiedenis van de mensheid. Of verfdozen uit een prehistorisch schildersatelier. In elk geval zijn in Zuid-Afrika twee schelpen gevonden die de vroegste moderne mensen ongeveer 100.000 jaar geleden hebben gebruikt om van oker (gesteente of aarde met veel ijzeroxide) rode verfstof te maken.

De ontdekkers schreven dit afgelopen week in het tijdschrift Science. De twee verfsetjes zijn al in 2008 opgegraven bij de Zuid-Afrikaanse Blombosgrot, waar eerder ook bekraste stukken oker zijn gevonden. De schelpen vormen samen met de okerresten een ‘gereedschapskist’, waartoe ook botten, houtskool, slijpstenen en stenen hamers behoren.

„We weten niet of de mensen de verfstof hebben gebruikt om zichzelf te beschilderen, om voorwerpen te versieren of om schilderingen te maken”, zegt archeoloog Christopher Henshilwood van de Universiteit van Bergen en eerste auteur, „maar het feit dat deze mensen in staat waren verfstoffen te produceren, betekent niet alleen dat zij beschikten over een basale kennis van scheikunde, maar ook over een vermogen om te plannen.”

Dat bevestigt het vermoeden dat de moderne mens in de evolutie eerder een mentale sprong heeft gemaakt dan lang werd aangenomen. Die moderne mens – fysiek vergelijkbaar met de hedendaagse mens – ontstond ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika. Al vanaf 100.000 jaar geleden zou die vroege mens zich ook mentaal hebben ontwikkeld tot een moderne mens. Lang is gedacht dat dat scharnierpunt maar zo’n 50.000 jaar terug in de tijd lag. De basis van de verfsetjes wordt gevormd door twee Haliotis midae, typisch Zuid-Afrikaanse schelpen. Op een van de schelpen zat een platte steen, die waarschijnlijk is gebruikt als slijpsteen voor de oker. Daaronder zat op de parelmoeren binnenzijde een laagje kneedbaar okermengsel van een halve centimeter.

De onderzoekers vermoeden dat kleine stukjes oker werden fijngewreven op een harde steen. Grote stukken werden eerst tot schilfers gehakt en dan tot gruis geslagen met slijpstenen en hamerstenen. Het rode poeder dat zo ontstond, werd vermengd met vette merg uit stukgeslagen botten. De roodbruine kleur en de craquelé textuur van de botresten doen vermoeden dat de botten eerst werden verhit om het merg er makkelijker uit te kunnen halen.

Het okermengsel was een pigment, zegt Henshilwood: „Het laboratorium dat onderzoek heeft gedaan naar de grotschilderingen in Frankrijk, concludeert dat het mengsel identiek is aan de rode verf in de Franse grotten.” Omdat de setjes dicht bij elkaar lagen, denken de onderzoekers dat ze tegelijkertijd zijn gebruikt. Henshilwood: „Er was mogelijk een soort werkplaats.”