Afspraak met de dood

Oog in oog staan met iemand die op het punt staat er een einde aan te maken.

Als je niet kunt ingrijpen, hoe verwerk je zo’n drama dan?

Nederland, Ubbergen, 1-6-2010 Konikpaarden met veulens staan in de uiterwaarden van de Waal. De Konik leeft in kuddeverband. De wilde paarden zijn uitgezet in natuurgebieden door heel Nederland en doen het goed. Foto: Flip Franssen

Tot aan mijn knieën sta ik in de rivier. Dan loopt de zanderige bodem plots steil af. Ik schrik en draai me om. Voor ik het weet, sta ik weer op het strandje, mijn schoenen zwaar van het water.

Dus dit is mijn reflex: zodra het bedreigend wordt, ren ik naar de kant. Het was niet háár reflex. Zij liep door. Zonder enige aarzeling liep ze door. Alsof ze bezig was aan een wandelmars, ongevoelig voor de koude greep van het water, dwars door haar kleren heen. Japi sprong niet van de Waalbrug, ‘hij was er afgestapt’, schreef Nescio.

Het was in de herfst, een paar jaar geleden. Ik zat in mijn Telpost aan de drukst bevaren rivier van Europa. Hier werkte ik in stilte aan mijn boek. De dagen waren eender: meeuwen op de krib, dorpsbewoners wandelden met hun honden over de dijk, ik staarde naar de schepen en liet mijn vingers ratelen op het toetsenbord.

Die ochtend zat ik gebogen over de krant. Ik zag haar vanuit de verte aankomen. Een keurige dame op leeftijd in een lange wollen jas en een gestreepte sjaal. Haar verschijning kwam me niet bekend voor. Er dartelde geen hond naast haar. Ter hoogte van mijn werkplek – vroeger telde Rijkswaterstaat vanuit deze toren boten – verliet ze de dijk. Door het gras kwam ze omlaag richting strand. Dit deden meer wandelaars. Echter naar haar bleef ik kijken, vanwege haar doelgerichte tred. Waar ging ze heen?

Toen ze bij het prikkeldraad aankwam, schrok ik. De omheining was de vorige dag geplaatst in afwachting van Koniks die de uiterwaarden zouden begrazen. Het draad moest de paarden een veilig heenkomen bieden. De vrouw had niet gerekend op deze hindernis en probeerde eronderdoor te kruipen. Haar lange wollen jas bleef hangen in het scherpe ijzerdraad. Ze rukte zich los, als een wild dier uit een klem. De woeste beweging paste niet bij haar nette voorkomen.

Dit was het moment waarop ik opstond en mijn schrijfpantoffels omruilde voor schoenen. Mijn mobieltje stak ik in mijn broekzak. Ik schoot een jas aan, pakte mijn sleutels en bleef nog even voor het raam staan kijken. De vrouw zat nu op haar billen op de keien van de wal, middenin mijn vertrouwde panorama. Ze werkte zich omlaag. Ik zag hoe de stevige herfstbries de krullen op haar achterhoofd in een onnatuurlijke scheiding blies, als grashalmen die gaan liggen op commando van de wind.

Met twee treden tegelijk rende ik de trap af, naar de rivier. Ik hoopte dat mijn voorgevoel onjuist was, maar wist wel beter. 112 tikten mijn vingers. Het nieuwe, strakgespannen prikkeldraad vormde ook voor mij een obstakel. Met gevaar voor mijn spijkerbroek klom ik eroverheen. Na wat grote passen door het gras zag ik de vrouw weer. Ze liep recht het water in dat al tot haar knieën stond.

„Mevrouw! Me-vrouw!”

Ze keek niet achterom. Ze stapte door, vastberaden haar vijand – het leven – te verslaan. Het leek alsof ze al niet meer van deze wereld was, wind en water niet voelde. Ik drukte op het groene icoontje van ‘bellen’. Met de meldkamer aan mijn oor volgde ik de kromming van de krib. De man van de alarmcentrale verzocht me met klem niet het water in te gaan. Het was levensgevaarlijk iemand te redden in deze sterke stroming. De gedachte achter de vrouw aan te springen was nog niet eens bij me opgekomen. Ik hield haar in de gaten en bleef roepen. Zij reageerde nooit, liep onverstoorbaar door tot de rivier zich sloot boven haar kruin. Nog éénmaal draaide ze zich op haar rug en stootte een kreet uit. Toen bleef ze roerloos liggen, met haar gezicht in het water. Op de punt van de krib, nog geen twintig meter van haar verwijderd, stond ik. Boven onze hoofden cirkelden meeuwen.

Toen de hulpdiensten gearriveerd waren en ik ze had gewezen waar het lichaam dreef – ter hoogte van de volgende krib – liep ik terug de uiterwaard in. Op het strandje lagen haar mantel en gestreepte sjaal. Die nam ik onder mijn arm. Aan een picknicktafel vouwde ik de kleren op en zag hoe de winkelhaak misstond op de chique wollen jas.

Nu ik weer terug ben op hetzelfde strand, vraag ik me af waarom de dame wel haar jas uittrok en niet haar schoenen. Wellicht een tijdskwestie. Ze had duidelijk haast. Nooit heb ik wakker gelegen van de scène die zich voor mijn ogen afspeelde. Omdat het niet gruwelijk was. Enkel surrealistisch. Ik was getuige van een afspraak met de dood aan de rivier die tot dan toe vredig van rechts naar links door mijn beeld had gestroomd.

Op de dag dat de vrouw het water in liep, werkte ik aan een zeer zware passage in mijn boek. Het ging over mezelf en mijn eigen twijfels over de zin van ons leven na de geboorte van mijn ernstig gehandicapte zoon in 2004. De riviervrouw verbeeldde mijn diepste angst. Ze liet me zien hoe dun het lijntje tussen dood en leven is. Ik keek toe en realiseerde me aan welke kant ik wilde staan.

De eerste dagen na het voorval brandde ik een kaarsje in de Telpost. Een politieagent had me gebeld met de mededeling dat ‘mevrouw H.’ – het slachtoffer had een naam gekregen – nog leefde. Ze was verdronken, maar haar hart klopte nog. Ik voelde me schuldig. Zou ze de rest van haar leven invalide en ongelukkig haar dagen slijten, dan was dat omdat ik haar niet met rust had kunnen laten. Inmiddels wist ik dat ze ziek was geweest, zowel fysiek als mentaal. En ik hoopte dat de golven haar alsnog zouden meenemen.

Al snel volgde een tweede telefoontje van de politie. ‘Mevrouw H.’ was overleden. Het dorp had een dame verloren; ze was echtgenote, moeder en oma. Ik blies de kaars uit en liep naar de oever. Daar vroeg ik me af hoe het voelde. Hoe kon je zo stoïcijns, zo vastberaden, met al je kleren aan je eigen dood tegemoet lopen? Hoe zat dat met je natuurlijke remmingen? Waren ze verdoofd door medicijnen, was er dan geen sprankje levenswil meer?

Telkens als ik langs een rivier rijd, stel ik me diezelfde vragen. Vandaag heb ik dan eindelijk het lef gehad vanaf het strandje de diepte in te lopen. Ik probeer te voelen wat zij voelde in haar laatste passen. Hier sta ik, hijgend op het droge met mijn gympen vol zand en water. Niet verder gekomen dan een paar meter, geremd door angst. Ik wel.

Ik kijk naar de passerende vrachtschepen die stroomopwaarts richting Duitsland koersen. Met mijn mobiel bel ik naar huis om even de stem van mijn zoon te horen.

Annemarie Haverkamp (36) is hoofdredacteur van Nijmeegs universiteitsblad Vox, columnist en auteur van ‘Dolgelukkig zijn wij’, een boek over de geboorte van haar gehandicapte zoon.