Yakboterthee, lekker!

Westerlingen die ooit wel eens in een ontwikkelingsland zijn geweest, worden vaak overvallen door de gastvrijheid en de bereidheid om te delen die daar bestaat. Dan wandel je bij wildvreemde mensen binnen en krijg je direct wat aangeboden uit de karige middelen waar ze zelf van moeten bestaan. Ingehaald door een gevoel van dankbaarheid en onmacht gooi je de ranzige yak-boterthee zonder te proeven in een teug achterover. In al je uitverkoren rijkdom besef je maar al te goed dat eigenlijk jij degene had moeten zijn die had moeten delen met de onbedeelden, niet andersom.

Des te pijnlijker is het om terug in eigen land te merken dat er steeds minder bereidheid bestaat om aan de ander te denken. De aanhangers van de Occupy Wall Street-beweging en hun hartekreet tegen de schrijnende ongelijkheid, hebben groot gelijk. Waarom zouden de mensen die behoren te waken over ons geld zichzelf daarvoor zo onbehoorlijk mogen belonen, terwijl de eerlijke ploeteraar zijn baan en huis dreigt te verliezen?

Op mondiaal niveau is het nog veel erger. De Nederlandse overheid halveert het aantal ontwikkelingslanden dat op onze hulp mag rekenen, ons kennisinstituut op het gebied van ontwikkelingssamenwerking wordt met opheffing bedreigd. De argumenten zijn helder; we moeten allemaal ons steentje bijdragen – ook de landen die niets hebben.

Maar op het gebied van hulp aan de Derde Wereld was Nederland lange tijd een koploper. Waar het internationaal militair weinig in de melk te brokkelen heeft, wist het op humanitair gebied wel degelijk onderscheid te maken. Die voortrekkersrol laat Nederland nu los omdat het ten tijde van relatieve krapte (meer is het immers niet) niet meer in staat is om groot te denken.

Dat is een jammerlijk gemiste kans. Hoe mooi zou het zijn wanneer Nederland als een van de weinigen was blijven zeggen: ‘Jazeker, we trekken de broekriem aan, maar we hebben de morele plicht om aan de ander te denken’.

Want als dat in de karige huiskamers van de Derde Wereld al lukt, waarom zou het bij ons dan niet gaan?

Floris-Jan van Luyn