Was ik jood? Was ik vrijgezel?

De gemeente belde. Of ik een witte Hyundai i 10 rijd?

Juist. Dan kon ik maar beter even gaan kijken.

En ja hoor, daar stond het mormel. Voor de deur, naast een hoop glas. Een tros snoeren waar de radio was.

Waarom een Nederlandse correspondent in de slechtste buurt van Israël was gaan wonen, wilde de politieagent die de aangifte opnam eerst horen. „Heb je geen geld?”

Tel Aviv is duur. En dit was dicht bij de snelweg. Vlak bij het busstation. ‘Tussen de gewone mensen’, zoals journalisten dat plegen te noemen. In Klein Mogadishu, zoals collega’s van een ander Nederlands medium mijn buurt noemen.

Israëlische vrienden kijken me meestal meewarig aan als ik zeg waar ik woon. Het is er gevaarlijk, denken ze. Nonsens, zeg ik dan. Het is er gewoon heel zwart. En levendig.

Soedanezen en Ethiopiërs liggen de hele dag werkeloos in het park. ’s Nachts grillen de buren hun vlees op straat, keren zwervers de vuilnisbakken om en trakteren de gekken de zwerfkatten op rauwe eieren. Kakkerlakken zo groot als speelgoedautootjes hebben de sleutel van mijn flat.

Die autoradio, dat is een junk geweest, wist de politieagent. In deze buurt zitten er zoveel, hij had hier zelfs wel Nederlandse junks gevangen. Toevallig hè?

Reuze.

Was ik eigenlijk een jood, wilde hij toen weten.

Pardon?

Een christen dan?

Zeg hé, zei ik, wat ging hem dat aan? Ik kende de vragen bij de checkpoints op de bezette Westelijke Jordaanoever, waar ik altijd moet uitleggen wat ik daar deed. Hoe die Arabische visa in mijn paspoort kwamen. Waarom ik een kogelvrij vest in de kofferbak had liggen.

Maar nu deed ik in burger (aardbeienjurkje), in Tel Aviv (ook wel bekend als het Miami van het Midden-Oosten), als gedupeerde aangifte van een simpel vergrijp. Vreemd, vond ik de geloofsvraag.

Dat was toch logisch, vond de agent. Stel dat hij me de volgende keer in de cel wilde gooien. „In Noord-Ierland zetten ze toch ook geen protestant en een katholiek bij elkaar?”

Die vergelijking met het Israëlisch-Palestijns conflict had ik nog niet gehoord.

Ik moest ook begrijpen dat de staat buitenlanders als ik wilde kunnen volgen. Daarom wilde de agent meer weten. Was ik vrijgezel? Waar werkte mijn vriend? Was hij een Israëliër?

Allemaal in de computer.

Kon ik ten slotte even met die auto vol glas naar een ander politiebureau rijden? Hier waren ze onderbezet en ze wilden graag vingerafdrukken van me nemen.

Hûh?

Oh ja, en ook van de inbreker natuurlijk.

Leonie van Nierop