Verre veld

I k verveelde me altijd kapot tijdens een potje honkbal onder schooltijd. Er was niemand in onze klas die een bal verder sloeg dan twintig meter. Ik stond, met nog een sukkel, op oneindige afstand van de thuisplaat te wachten op een vangbal.

Tijdens de WK-finale tussen Nederland en Cuba had ik alle tijd om aan vroeger te denken. Uitstel op uitstel volgde vanwege regenval. Het was bij ons middernacht. Vanuit het stadion in Panama Stad verwachtte je tropische beelden. Maar nee, het leek herfst.

Over het veld lag een zeil. Behalve over het verre veld. Was het bij de grote mannen van de honkbalsport ook zo’n onbeduidende plek?

Slaperig keek ik naar buiten. Alle lichten uit. In mijn stad leek niemand zich op te maken voor een nachtje honkbal op tv. Stom. Zo’n duel op een nachtelijk tijdstip riep herinneringen op aan de bokswedstrijd Ali versus Frazier.

Maar laat ik niet stoer gaan doen; ik viel zaterdagnacht na een uur wachten op de bank in slaap bij het staren naar de ondertitel: Het regent in Panama. We wachten op de honkbalfinale Cuba-Nederland.

Ik droomde van het jeugdvriendje van me; hij vertelde me destijds dat een klasgenoot in het verre veld na een uur niksen opeens een hoge bal op zich afkreeg. Hij moest tegen de zon inkijken. De bal suisde langs zijn handschoen.

Weg gebit.

Ik had mijn moderne tv in de opnamestand gemanoeuvreerd. De wedstrijd was digitaal vastgelegd, ik kon terugkijken.

Het decor in Panama was troosteloos. Voor zover ik kon zien, zaten de tribunes niet vol. Het volk zat in regenjack, onder poncho’s en opengewerkte kartonnen dozen. De glamour van een Amerikaanse wedstrijd in de Major League ontbrak volledig.

Nederland won op tactische wijze en had in Rob Cordemans een ouwe rot in het vak. Niemand kijkt vlak voor het werpen zo mooi naar de grond als hij. Hij denkt aan een paar steentjes, een plukje gras, een regendruppel op de rand van zijn cap en dan: wham, een fastball.

De Cubanen werden gek. Of ze met een loden knuppel een razende vlieg moesten raken. Cordemans zat, om met coach Brian Farley te spreken, in een superflow.

Ik keek naar de mannen in het verre veld. Met de schoenen soppend in het gras, wachtend op hoge ballen. Die kwamen. Na een klap van een Cubaanse slagman zag je in het verre veld al een glimlach op een Hollands gezicht. Je kon je seconden lang verkneukelen op het moment dat de bal zich in de handschoen stortte.

Na de laatste bal vormden de honkballers een kring. Het was heerlijk ouderwets juichen. Uit de monden klonk een vijftigerjarenkreet: „Hoi, hoi, hoi, hoi, hoi, hoi.” De koningin belde niet met haar mobiele telefoon, ze tikte ook geen mailtje. Nee, ze stuurde een telegram.

Sidney de Jong stak een dikke sigaar op. Er werd weer eens lekker gepaft op het sportveld.

Wat een romantische sport, dat honkbal.

Was ik nog maar een kleine jongen, in korte broek, in het verre veld, turend in de lucht. Een bal landt in mijn handschoen. Mijn gebit nog heel.

Blijven we volgende keer allemaal op?