Roestvrij idealisme

Van Occupy Amsterdam kwam het de afgelopen dagen nog niet, Occupy Beursplein bleek al moeilijk genoeg: elke keer dat ik er een kijkje kwam nemen, was het aantal bezoekers afgenomen. Demonstreren is gezellig zolang het zonnetje schijnt, daarna wordt het afzien, zeker in de koude nacht. Wie overbleven waren vooral de jongeren, pratend, vergaderend, zingend, pingpongend.

Voor dit soort demonstraties heb je jonge mensen met nog roestvrij idealisme nodig, scepticisme is slecht voor de opstandige dadendrang. Zou ik, veertig jaar jonger, hebben meegedaan? Ik vroeg het me af terwijl ik over het Beursplein dwaalde. Er heerste een stemming die me enigszins aan de flower power van de jaren zestig deed denken: een bezorgde onbezorgdheid, want de wereld was dan wel rot en corrupt, wij waren jong en mooi en sterk en wij zouden alles anders doen zodra de regenten opgedonderd waren.

De regenten moeten nog steeds weg, vooral als ze bankier zijn. Ook de politici moeten weg en, niet te vergeten, de media. „Ik heb genoeg van de media die alles neersabelen”, riep een vrouw door de microfoon, „de negativiteit van het Journaal en de kranten moet ophouden.”

Er werd wel meer onzin door de microfoon geroepen. Veel meer zelfs. Het ergste vond ik de zweefdenkers, mensen als Ronald Jan Heijn, oud-baas van Oibibio, die opeens weer opdoken uit de schemer van de new-agebeweging om hun spirituele graantje mee te pikken. Ook is er altijd wel een of andere vroegoude, sektarische socialist die te lang het woord neemt om datgene te bepleiten wat hij op zulke bijeenkomsten altijd bepleit: afschaffing van het kapitalisme, en wel onmiddellijk.

Ik hoorde te weinig zinnige sprekers, mensen die in een strak, helder betoog hun onvrede verwoordden. Liepen er op het Beursplein wel genoeg intelligente, bevlogen studenten rond? Ze zijn onmisbaar voor zulke bewegingen.

Roel van Duijn, een van de oprichters van Provo, was er zaterdag wél. Hij vertelde het publiek dat hij sinds 2003 (‘Irak’) niet meer gedemonstreerd had, maar nu gegrepen was door „deze fantastische beweging”: „Ik hoop dat het een wereldbeweging wordt.” Het was een kort, samenhangend toespraakje en het bracht mij weer op de vraag die je deze dagen niet mag stellen: heeft de Occupy-beweging toch niet inspirerende leidersfiguren nodig die de boodschap overtuigend uitdragen? En zou het ook niet handig zijn als er een duidelijker consensus is over die boodschap om te voorkomen dat het machteloos gemummel in de marge blijft?

Misschien is dit alles te ouderwets-hiërarchisch gedacht en kan ‘het systeem’ het best zónder systeem bestreden worden, maar ik houd mijn twijfels.

Het zou jammer zijn als alle bevlogenheid verdampte in ongerichte woede, want er is, met name in de financiële wereld, wel degelijk iets aan de hand.

Gisteravond had ik een verre vriend onverwachts op bezoek. We hebben het niet gehad over de Occupy-beweging, wel over zijn werk. Hij loopt tegen de 50 en is bijna 25 jaar in dienst van een groot, internationaal bedrijf. Beviel het hem nog? Hij haalde zijn schouders op. Zijn bedrijf was inmiddels beursgenoteerd en zó vaak overgenomen dat hij er zich totaal van vervreemd voelde. De nieuwe eigenaren hadden maar één doel: in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk geld met zo weinig mogelijk personeel verdienen.

„Vroeger hield ik van mijn bedrijf”, zei hij, „nu laat het me volstrekt koud.”