Ook de kwade genius onrustig in 'Kersentuin'

De kersentuin van Anton Tsjechov door keesen&co. Gezien: 15/10 Schouwburg, Arnhem. Tournee t/m 31/1. Inl: keesen-co.nl ***

Volkomen verzenuwd, lacherig, onwennig: zo typeert regisseur Willibrord Keesen de personages van Tsjechov in de wrange komedie De kersentuin (1904). Zijn regieconcept is dwingend. Meteen in het begin zet het kamermeisje Doenjasja de toon: actrice Ilke Paddenburg draagt hoge hakken en een strakke kokerrok, die haar nauwelijks bewegingsruimte gunt. Liefde bruist door haar lichaam, maar zal voor altijd onbeantwoord blijven.

In Keesens versie van De kersentuin ligt het accent op het noodlot dat de jongste generatie treft. In speelstijl verschilt de hoofdrol van verkwistende landeigenares Ljoebov (Monique Kuijpers) niet van jonge acteurs als Astrid van Eck (óók teleurgesteld in de liefde) en Rick Paul van Mulligen. Zijn rol van de gesjeesde student vormt een van de hoogtepunten, samen met zijn tegenpool in leeftijd, Jan van Eijndthoven als de oude bediende Firs. Hun meer verinnerlijkte tragiek brengt rust.

In het simpele decor met slechts een venster en een kast, rennen de meeste personages ongedurig heen en weer. De aanstichter van het kwaad, zakenman Lopachin die het landgoed verkwanselt, toont extreme onrust. Dat is nieuw. Lopachin is altijd de soevereine meedogenloosheid zelve. Wel is hij hard jegens Doenjasja. Als Ilke Paddenburg hem verwijt dat hij nooit aandacht voor haar heeft en zij een koffer keihard dichtslaat, toont zij de werkelijke emoties die trillen door deze Kersentuin: de kapotte idealen van jonge mensen.