Kramer 'zit' weer diep en maakt onbezorgde indruk

Sven Kramer is terug op het ijs. Hij is ontspannen en vol vertrouwen. Maar ook voorzichtig. Zijn opdracht: alles stap voor stap.

Het is „maar een trainingswedstrijdje”, had coach Gerard Kemkers vooraf gezegd. We moeten „geen wereldwonderen” verwachten, waarschuwde zijn assistent Bart Veldkamp. Maar elke beweging die Sven Kramer maakt, deze zaterdagmiddag, wordt genoteerd, geanalyseerd en vastgelegd op camera. Op zijn gezicht verschijnt een nerveus lachje als hij even na drie uur het ijs van Inzell betreedt voor zijn eerste race in ruim anderhalf jaar.

De routine is er nog. Infietsen, koptelefoon op. Schaatsen onder, voeten afknijpen, dan het Beierse ijs op. En weg is hij. Sneller dan gepland, met een rondje van 28,7. „Logisch als je zo lang in je hok hebt gezeten”, grijnst assistent-coach Geert Kuiper. „Net als wanneer de koeien weer naar buiten mogen.”

Drie kilometer: een muizenritje voor een schaatser, maar een reuzensprong voor Sven Kramer. Na zijn afwezigheid, veroorzaakt door jarenlange fysieke en psychische roofbouw, houdt één vraag de schaatswereld bezig: haalt hij ooit nog zijn oude niveau? Na zeven rondjes in de Max Aicher Arena in Inzell ligt het antwoord voor de hand. Maar opluchting en euforie worden al snel verdrongen door realisme en voorzichtigheid. Geen haast, geen druk, zegt Kemkers. „Hindernis voor hindernis.” Maar na amper twee maanden pijnvrij trainen weet de concurrentie genoeg, als het scorebord 3.44,88 aangeeft. Een seconde sneller dan Håvard Bøkko dezelfde dag in Hamar, een tel langzamer dan Ivan Skobrev onlangs in Salt Lake City.

Voor Kramer telt vooral dat de kop eraf is. „Ik kan wel stoer roepen dat het me niks doet, maar natuurlijk ben ik hiermee bezig geweest”, zegt hij al uitfietsend. „Logisch: eens moet je met de billen bloot.”

Kramer, pas 25 jaar, komt van ver. Vier seizoenen had hij met machtsvertoon geheerst en zichzelf gekroond met een zegereeks die zelfs voor grootheden als Hjalmar Andersen, Eric Heiden en Ard Schenk te hoog gegrepen waren. De prijs was hoog, weet hij sinds die laatste race, op 21 maart 2010. Met die tien kilometer werd hij in Thialf opnieuw wereldkampioen allround. Maar hij schaatste diep in het rood, drie weken na ‘Vancouver’, de stad waar zijn olympische droom eindigde in een nachtmerrie: de foute wissel op de tien kilometer. Jaren willen winnen – en winnen – uitten zich in rugpijn, een longinfectie en een afgeknelde zenuw in zijn bovenbeen die maar niet wilde genezen. „Ik heb me zorgen gemaakt of hij terug zou komen”, zegt Kuiper. „Daarom is dit zo’n mooi moment. Pas twee maanden geleden, in Minsk, zei hij dat hij zich volledig kon belasten. Toen maakte mijn hart een sprongetje.”

Intussen staat er een andere Sven Kramer op het ijs. Goedlachs, met de grote mond die hem altijd typeerde. Kemkers: „Hij is heel prettig in de omgang. Sven kreeg de laatste weken zienderogen meer vertrouwen.”

En hij scháátst weer. „Hij zit dieper, rijdt meer ontspannen”, zegt oud-wereldkampioen Gianni Romme. „Vóór Vancouver reed hij met veel spanning in zijn lijf. Dat kon ook niet anders. Hij was de aap op de rots die iedereen eraf wilde hebben. Dat gaat in je lijf zitten.”

Kramer was in een negatieve spiraal terechtgekomen. Hij schaatste bijna rechtop, moest steeds meer zijn kracht en zijn eerzucht aanspreken om dezelfde resultaten te bereiken. Kuiper: „Dat hij heel diep kan gaan is een groot talent. Maar dat moet hij niet doorlopend gebruiken, zoals in het olympische jaar. Hij moest het voortdurend ergens vandaan trekken. Dat hou je niet vol. Dat is de waarde van deze rustperiode.”

Kramer zou Kramer niet zijn als hij niet vooruit keek. „Ik betrap mezelf erop dat ik meteen heel kritisch ben. Maar al met al was het hartstikke goed. Als je een jaar geleden had gezegd dat ik in mijn eerste wedstrijd 3.44 zou rijden, had ik het niet geloofd.” Maar verwacht niet dat hij meteen wereldkampioen wordt. Hij weet zelfs nog niet of hij zal rijden op de NK afstanden. Dat wordt zijn opdracht: doseren, alles stap voor stap. Kramer: „Op de lange termijn is deze weg de beste. De allroundtoernooien zijn heel belangrijk, maar die ga ik niet meer ten koste van alles doen.”

Niet veel toppers keerden succesvol terug. Cindy Klassen was in 2008 een ster toen ze er tussenuit moest, maar haalde nooit meer haar oude niveau. Stefan Groothuis, die in 2007 zijn achillespees afscheurde, lukte het wel. Maar als iemand het kan, is het Kramer, zegt Romme. „Hij is het schaatsen echt niet verleerd. En mentaal is hij de sterkste.” En Kuiper: „Als het hem lukt zijn unieke techniek aan te spreken, zal hij weer aansluiten bij de top. Maar hij moet niet een paar stappen willen overslaan.”