Druk, druk, druk. Moe, moe, moe

Nederlanders hebben de indruk dat zij het altijd druk druk druk hebben, maar in vergelijking met andere Europeanen werken we het minst en hebben we de meeste vrije tijd, zo bleek vorige week uit een internationaal onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Sinds wanneer hebben wij de illusie dat we het altijd druk hebben? Of, exacter geformuleerd, sinds wanneer gebruiken wij hiervoor de woordtrits druk druk druk?

Zeker sinds het eind van de 19de eeuw. Al in 1897 schreef het katholieke tijdschrift Het Dompertje van den ouden valentijn: „Druk, druk, druk! Druk is het leven tegenwoordig, ja vreeselijk, ontzettend druk; wat moeten onze hersens zwaar werk verrichten, vergeleken bij die van onze groot-ouders en zelfs onze ouders. Met het uur wordt het drukker, roeziger om ons heen; met den dag wordt er meer gevergd van ons hoofd, ons hart en onze zintuigen.”

Druk druk druk – je leest het mét en zonder komma’s – is een bijzondere uitdrukking. Meestal versterken we iets door er woorden of woorddelen aan vast te plakken. Iemand is gek, knettergek, zo gek als een bos uien – enzovoorts.

Ook in de meeste woordtritsen zit een versterking. We vinden iets lachen, gieren, brullen, niet: lachen, lachen, lachen. We voelen ons ziek, zwak en misselijk, niet: ziek, ziek, ziek.

Druk druk druk is hierop een uitzondering, want bij deze uitdrukking wordt de versterking bereikt door herhaling van hetzelfde woord. Druk druk druk geldt immers als de overtreffende trap van ‘gewoon’ druk.

Zelf ken ik de uitdrukking een jaar of twintig. Ik heb haar een tijdje gebruikt, maar al snel afgezworen omdat ik deze zegswijze nogal aanstellerig vind, een beetje hittepetitterig. „Hoe gaat het met je?” „Ach: druk druk druk.” Het is, althans in mijn oren, toch alsof je Truus de Mier hoort klagen. Voor de jongere lezers: Truus de Mier, ook wel Juffrouw Mier genoemd, was een personage uit De Fabeltjeskrant, een poppenserie op tv. Ze was een overijverige huisvrouw, altijd bezig met poetsen en boenen, en ze zei doorlopend tuut-tuut-tuut-tuut.

Daarmee hebben we meteen een andere uitdrukking te pakken waarin hetzelfde woord wordt herhaald, vier keer zelfs. Tuut-tuut-tuut-tuut wordt weleens gezegd, snel en op hoge toon, om mensen de mond te snoeren die zich al te nadrukkelijk opwinden over kleinigheden.

Bestaan er nog andere uitdrukkingen waarbij de versterking door herhaling van hetzelfde woord wordt bereikt? Ik ken er een paar. Tut tut als uitroep om tot kalmte of stilte te manen (‘effe dimmen’) – soms als duo, soms als trio. Toi toi of toi toi toi om iemand geluk te wensen.

En natuurlijk moe moe moe, een uitdrukking die je, vooral op internet, geregeld vindt in combinatie met druk druk druk („Druk druk druk en moe moe moe. Nog 9 weken te gaan”). Moe moe moe kennen we zeker sinds de jaren vijftig, onder meer uit een liedje van Annie M.G. Schmidt: „Ik ben zo moe, moe, moe,/ moe van je moe, moe van je pa, moe van je zuster./ En van je dahlia’s, je roos en je liguster / En van je eten met een pannenkoekie toe / Ik ben zo moe, moe, moe.”

Bron van druk druk druk zou het Engelse busy busy busy kunnen zijn, dat al in 1735 voorkomt in een toneelstuk: „Busy, busy, busy, busy we bustle along.” Aanvankelijk werd het in viervoud gebruikt, maar vanaf de 19de eeuw meestal in drievoud.

Er bestaat trouwens een ‘Drukkers-, druk- en druktelied’, dat volgens De Sumatra post van 1915 zou dateren uit 1867. Daarin vinden we de zinnen „’t is druk, ’t is druk, ’t is druk / ik heb ’t verschrrrriklijk druk!” Als die datering klopt is de Nederlandse illusie dat we het altijd druk hebben, die mij persoonlijk overigens heel reëel voorkomt, nog enkele decennia ouder.