De vrijheid van Joop

Joop zit in zijn klapstoel op een braakliggend stuk grond naast zijn flat in Zoetermeer. Omringd door bierkratten en zijn acht beste vrienden. Eigenlijk is het te koud voor een feestje buiten. Maar Joop haat binnen zitten.
Het was niet makkelijk in Zoetermeer een feest te vinden. Uiteindelijk vond ik Joop en zijn kratten een eind van het theater waar ik vanavond moet spelen. Joop vindt het geen enkel probleem, een onuitgenodigde gast. Als ik maar een beetje meezuip, want hij denkt niet dat hij en zijn vrienden in hun eentje al dat bier op krijgen. Maar als het niet op komt dan is het morgen gewoon weer feest. Hij heeft nog tot maandag. Dan begint hij met werken. Vanaf maandag, zegt hij somber, is mijn leven voorbij. Ik moet er nu alles uithalen wat er nog inzit. Vandaar dit feest. Zijn vriend Jeroen slaat hem bemoedigend op de schouders. Je overleeft het, zegt hij stellig. We overleven het allemaal. Joop weet het niet zo zeker.

Hij gaat in ‘de automatisering’ werken, het was de minst vreselijke baan die hij kon vinden. Het liefst was hij blijven doen wat hij altijd deed. Vissen en blowen. En dan af en toe een ‘klusje hier, klusje daar’ om de rekeningen te betalen. Maar hij kwam er niet meer onderuit. Sollicitatieplicht. Hij spuugt op de grond. Je wordt in dit land ook godverdomme nooit eens met rust gelaten.
Ik zeg dat ik me erg onbestemd zou voelen zonder baan. Joop haalt zijn schouders op. Met mij was alles prima. Ik ben niemand tot last, ik heb niets nodig. Hij vraagt wat ik doe. Theater? Schrijven? Dan heb je makkelijk praten. Jij doet wat je leuk vindt. Dat wordt mij niet gegund. Met zijn aansteker opent hij een nieuw flesje bier en duwt het in mijn handen. Hij proost. Op de slavernij! Dan wordt hij stil. Zijn acht vrienden proberen een barbecue aan te steken. Hij kijkt van hen naar mij. Ik had ook wel iets met kunst willen doen, zegt hij zacht. Ik kan best goed tekenen. Ik knik, zoek naar wat bemoedigende woorden. De vrienden krijgen intussen het vuur niet aan. Het waait te hard. Het wordt koud. Ik zeg dat met al die bezuinigingen er binnenkort toch niets meer te verdienen is in kunst en cultuur. Wie weet werk ik over twee jaar ook wel in de automatisering. Joop kijkt mij treurig aan en knikt. Het zijn teringmongolen. Even denk ik dat hij het over zijn stuntelende vrienden heeft, maar hij bedoelt de regering.

Hij wijst naar de flat achter hem, waar achter de ramen steeds meer lichten aangaan. Moet je kijken, al die mensen, die zich allemaal in zo’n hok laten stoppen. Werken, eten, slapen, kopen. Maar ja, je moet wel. Het vuur gaat aan, de vrienden juichen. Ik ga me niet laten vangen, zegt Joop terwijl hij zijn biertje achterover slaat. En hoewel ik er niet zeker van ben, zeg ik dat ik hem geloof. Omdat ik heel graag wil geloven dat er mensen zijn die zich nooit laten vangen. Die stoeltjes uit hun flat slepen en naast parkeerplaatsen vuurtjes stoken. Die stiekem kunnen tekenen en genoeg hebben aan water, hengels, wiet en af en toe een klusje.

Ik sta op, vraag Joop of ik nog een foto van hem mag maken. Hij grijnst. Mijn laatste foto als vrij man. Hij staat op, leegt zijn bierflesje in een plastic blauw bekertje. Op vrijheid! Hij zet het bekertje aan zijn mond, gooit zijn hoofd in zijn nek. Precies als ik afdruk verliest hij zijn evenwicht en klapt achterover.

    • Marjolijn van Heemstra