'We zijn er niet op achteruit gegaan'

Als de pensioenfondsen in de problemen komen, dan is er één groep extra kwetsbaar: de weduwen en wezen.

Een villa met garage in een nieuwbouwwijk met wuivend riet. Maar ook een villa met een urn in de huiskamer, en drie kinderen van acht en tien jaar voor wie ‘dood’ een alledaags woord is. Twee jaar geleden overleed hun vader plotseling aan een hartstilstand. „We hadden net een nieuw huis gekocht”, zegt Sandra (39). „Dan verwacht je niet dat je man na een jaar wegvalt.”

Geluk bij een ongeluk: ze hoefden niet weer te verhuizen. „Mijn man had het goed geregeld”, zegt Sandra, die liever niet met haar achternaam in de krant wil. „Wat inkomen betreft zijn we er niet op achteruit gegaan.”

Niet alleen gepensioneerden van boven de 65 kunnen getroffen worden, als pensioenfondsen volgend jaar de uitkeringen moeten verlagen. Er is ook de groep weduwen en weduwnaars die geheel of gedeeltelijk moet rondkomen van een partnerpensioen. Volgens cijfers van De Nederlandsche Bank betreft het 686.000 vrouwen en 55.000 mannen. Verder zijn er 37.000 kinderen met een wezenpensioen.

De man van Sandra was als ambtenaar van Rijkswaterstaat aangesloten bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), het grootste pensioenfonds van Nederland. „De bedoeling is dat je dat geld krijgt als je 65 wordt, maar je kunt het ook zo afsluiten dat het over kan gaan in een nabestaandenpensioen.” Haar man had dat gedaan. Zijn pensioen is nu haar belangrijkste bron van inkomsten.

Het eerste jaar na zijn dood was ze bezig met regelen. Ze kwam erachter dat er ook een ‘nabestaandenuitkering ANW’ bestond, waarmee de overheid weduwen en weduwnaars een bestaansminimum biedt. Dat wil zeggen: aan mensen die voor 1950 geboren zijn. Mensen die later geboren zijn komen alleen in aanmerking als ze kinderen onder de achttien hebben, zoals Sandra.

Van het ABP hoorde ze dat ze de nabestaandenuitkering moest aanvragen bij de Sociale Verzekeringsbank. Ouders die hun partner verliezen krijgen verder altijd een ‘halfwezenuitkering’, een vast bedrag van ongeveer 170 euro per maand, ongeacht inkomen en aantal kinderen. Dat loopt door tot de achttiende verjaardag van het jongste kind.

Sandra heeft ook zelf nog een klein inkomen – ze werkt 18 uur per week bij de gemeente. Maar het geld dat ze daarmee verdient wordt afgetrokken van haar nabestaandenuitkering. Als ze de baan zou opgeven, zou dat financieel vermoedelijk weinig uitmaken. Toch doet ze dat liever niet. „Ik werk ook om eruit te zijn. Je bent zo bezig met de kinders. Het is fijn om ook eens ergens anders te zijn.” Als werkende zou ze volgend jaar ook te maken kunnen krijgen met verhoogde pensioenpremies – het andere mogelijke gevolg van de problemen waarin pensioenfondsen zijn komen te verkeren.

Het is zwaar, zegt ze, drie kinderen opvoeden in je eentje. Haar ouders wonen dichtbij en brengen de kinderen naar school. Zelf kan ze hen ophalen, maar dan beginnen de clubjes: volleybal, voetbal, muziekles. „En dan moet je nog het huis doen en de boodschappen. Je komt gewoon handen tekort.”

Alleen al daarom is het prettig dat geldzorgen vooralsnog ontbreken. „Anders zou ik dit huis misschien weer moeten verkopen.” Wat ook niet eenvoudig is, in deze tijd. In de nieuwbouwwijk zijn nog steeds niet alle kavels verkocht.