Tropeninstituut verloren, rampspoed geboren

De subsidie aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen is gehalveerd. Dat krijg je als er geen regie is in Den Haag, meent Gert J. Oostindie.

Foto: Olivier Middendorp

Deze week heeft staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Ben Knapen bekendgemaakt dat hij de subsidie aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen stopzet. Dat leverde uiteraard direct protest op vanuit het KIT zelf, maar ook uit de bredere museale wereld. Knapen zelf liet meermalen weten dat het Tropenmuseum hem ‘dierbaar’ is. Maar ook dan, voegde hij toe, is het niet goed te verdedigen om tot in lengte van dagen een Nederlands museum te financieren uit geld bedoeld voor ontwikkelingssamenwerking. Dat geld is immers bedoeld voor arme landen. Knapen denkt zo 20 miljoen te kunnen besparen, wat nodig is omdat zijn budget door het kabinet-Rutte is beknot.

Intrekking van de subsidie treft het Tropenmuseum, het Tropentheater en de enorme bibliotheek van het KIT; deze drie zijn vrijwel geheel afhankelijk van de overheidssubsidie. De redenering van Knapen is niet zo gek. Hij probeert zoveel mogelijk voor zijn core business in arme landen over te houden. Dat maakt de protesten bij voorbaat al een beetje verdacht, want zelfzuchtig. Hoeveel goede dingen kunnen er niet worden gedaan met 20 miljoen euro, op jaarbasis, voor de gezondheidszorg in Benin? Is dat belangrijker dan dat statige museum en het wat hippere Tropentheater, waar alleen wij verwende Nederlanders van genieten? En dan die bibliotheek, die toch eigenlijk maar iets voor wetenschappers is?

Het KIT kan natuurlijk niet zeggen dat arme mensen in Benin minder belangrijk zijn dan het eigen instituut, en nog minder dat de eigen werknemers zwaarder tellen. De directie is overigens ook zo kies niet aan te geven dat het KIT tenminste al een ruime eeuw een hoge kwaliteit biedt en duidelijke resultaten boekt – dat is bij veel Nederlandse ontwikkelingsprogramma’s minder evident. Het KIT heeft genoeg andere sterke argumenten. Deels draaien die om de functie van het museum als venster naar wat ooit bekendstond als ‘Derde Wereld’. De goed bezochte permanente en tijdelijke tentoonstellingen versterken, zo mogen we aannemen, indirect ook het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Bovendien trekken zij, anders dan de meeste andere musea, grote groepen allochtone bezoekers. Daarnaast heeft het KIT inmiddels veel expertise ontwikkeld op het terrein van culturele samenwerking met musea in het Zuiden. De immense bibliotheek, ten slotte, heeft zich de laatste jaren ook sterk gericht op het gratis beschikbaar stellen van digitale documentatie over gezondheidszorg en wat dies meer zij. Dit alles ontkent de staatssecretaris niet, maar hij moet nu eenmaal prioriteiten stellen. Hij wil graag meedenken over hoe het verder moet, maar geld geeft hij na 2012 niet meer. Dat zou zomaar fataal kunnen zijn.

Wat in deze discussie ontbreekt zijn argumenten die te maken hebben met de Nederlandse koloniale geschiedenis. Het KIT komt – overigens net als mijn eigen instituut, het Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde – voort uit het Nederlandse kolonialisme. Na de oorlog en de dekolonisatie heeft het KIT zich uiteraard veel breder ontwikkeld. Dat is dan ook het centrale argument dat het instituut nu gebruikt: relevantie voor het ontwikkelingsbeleid, een beleid dat ook cultuur serieus moet nemen. Maar die koloniale antecedenten blijven vrijwel buiten beeld.

Dat is niet nodig. Wij kunnen vandaag wel met veel gêne terugkijken op die episode, maar daarmee poetsen wij dat verleden niet weg. Dat moeten wij ook niet willen. Sterker, de poging daartoe wordt in de voormalige koloniën, Indonesië voorop, zelfs met grote verbazing bezien. Nederland herbergt enorme museale collecties, archieven en wetenschappelijke bibliotheken over deze landen, waartoe behalve Indonesië, Suriname en de Antillen ook Brazilië, Sri Lanka, India, Zuid-Afrika en Ghana behoren. Die ‘Collectie Nederland’ heeft een unieke mondiale betekenis. Dat is ook van overheidswege erkend: de ministeries van Buitenlandse Zaken (BuZa) en OCW hebben gezamenlijk een cultuurbeleid opgezet dat samenwerking met deze ‘erfgoedlanden’ vooropstelt.

Hoe past een mogelijke sluiting van het KIT daarin? In het geheel niet. Hoe past het ondergraven van de Nederlandse wetenschappelijke en museale infrastructuur over een land als Indonesië bij de politieke wens om de nu eindelijk hartelijke relaties te intensiveren met dit land – zoals bekend, naar bevolking het vierde ter wereld, bovendien met ’s werelds grootste moslimbevolking? Niet. Hoe past het voornemen om het KIT te sluiten bij het Haagse beleid voor internationaal cultureel erfgoed? Niet.

Dat er bezuinigd moet worden is duidelijk. Dat er synergie en dus ook bezuinigingen te behalen zijn door meer landelijke concentratie in de museale en wetenschappelijke sfeer is evident. Maar daartoe is veel meer regie nodig.

Wat wij nu zien is dat BuZa te weinig met OCW afstemt, dat binnen BuZa politieke overwegingen niet goed sporen met beslissingen rond ontwikkelingssamenwerking, en dat binnen OCW de belangen van cultuur en wetenschap onderling onvoldoende worden afgewogen. En zo dreigt nu het KIT daarvan het slachtoffer te worden. Dit is niet zozeer de schuld van Knapen, maar een blijk van verkokering tussen en zelfs binnen de Haagse departementen. Kabinet, get your act together, ontwikkel een visie.

Prof.dr. G.J. Oostindie is directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) en hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Leiden.