Tranen met tuiten, maar alles komt goed

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week: de jonge Cruijff, de nieuwe Barnes, de oude Nescio.

‘Aaron Logher is met transport meegegaan. We zagen hem gaan. Hij zei: „Waarom niet?” Van Gerrit Jas hoorde ik dat Bram de Hond dood is. Buikloop. Bij Gerrit op het Block ligt Japie Emmerik. Oedeem, heel erg. En van zijn weet af. Gerrit werkt bij de lijkensjouwerij. Die naar het crematorium vervoerd moeten worden. Hij krijgt extra eten. Nico Rijksman...’

Ik dwing mezelf door te lezen. Ik moet dit lezen. Onopgesmukt, feitelijk, dat zijn machteloze kwalificaties van deze herinneringen aan de Jodenvervolging van de in 1960 naar de VS geëmigreerde Coen Rood (1917): Onze dagen (Boom, 408 blz., €24,90). Bijzonder is dat dit verslag is geschreven onmiddellijk na de oorlog (dus niet als latere verwerking van het onvermijdelijke kampsyndroom). Het is gebruikt door de historici De Jong en Presser en een klein deel is in de jaren zestig gepubliceerd. Het is 65 jaar bij Oorlogsdocumentatie blijven liggen. Wie kent zelfs maar de namen van concentratiekampen als Annaberg, Gleiwitz, Leonberg, Kaufering, Landsberg? Men moet weten wat daar gebeurd is.

Gewoon een fijn en meeslepend boek is Cruijffie. Jongensjaren (Cruijff Bibliotheek, 223 blz. €14,95), een geromantiseerde biografie van een Amsterdams straatschoffie dat opgroeit in Betondorp, een nette arbeidersbuurt tegenover het voormalige Ajax-stadion De Meer en ervan droomt topvoetballer te worden.

Schrijver Jan Eilander (tevens zanger van de band Trio Bier) heeft zich uitstekend verplaatst in het getalenteerde zoontje van het oorspronkelijk uit de Jordaan afkomstige groenteboerenechtpaar Manus en Nel Cruijff. Op zijn tiende mocht Jopie, zoals Johan als kind heette, lid worden van Ajax, maar zijn flitsende carrière begon al veel eerder, op straat. Het boek, voor zowel kinderen als volwassenen, eindigt met de dood van vader Manus aan een hartinfarct als Cruijffie twaalf is. Tranen met tuiten, maar alles komt goed.

In dezelfde Oost-Amsterdamse dreven als waar Cruijff opgroeide, droomden Nescio’s helden hun dromen, zoals ‘een groot dichter zijn’. Ter gelegenheid van het vijftigste sterfjaar van de schepper van Dichtertje, Titaantjes en De uitvreter is er een bloedmooie geïllustreerde uitgave van zijn drie beroemdste verhalen uitgebracht onder de titel Nescio (Nijgh & Van Ditmar, 160 blz., € 29,95). Schilder Johan Eshuis kreeg in 1938 Dichtertje te leen van een vriend en las het aan flarden. Om dat goed te maken gaf hij een fonkelnieuw exemplaar terug, voorzien van 68 pentekeningen die Nescio’s personages, inclusief het zot geworden naakte dichtertje, in hun kern raken. Letterkundige Lieneke Freriks ontdekte het unicum en zorgde voor deze facsimile-editie die alle Nescio-fans zichzelf en hun vrienden cadeau zouden moeten doen.

Alsof het voorbij is (Atlas, vert. Ronald Vlek, 158 blz., € 19,50), de voortreffelijke Nederlandse vertaling van de voor de Booker Prize genomineerde roman van Julian Barnes, heeft ook wel iets Nescio-achtigs. Tony Webster kijkt terug op zijn leven en herinnert zich zijn schoolvrienden. ‘In die tijd zagen we ons zelf min of meer als gevangenen in een kooi, wachtend op het moment waarop we zouden worden losgelaten op ons leven. En als dat moment kwam, zou ons leven – en daarmee de tijd zelf – zich versnellen. Hoe konden we weten dat ons leven allang begonnen was, dat er al voordeel was verkregen en schade aangericht?’ Ik hoop dat Barnes, echt een topschrijver van het formaat Ian McEwan, aanstaande dinsdag de Booker Prize krijgt. Recensent Rob van Essen gaf hem gisteren in het bijvoegsel Boeken een goede kans.

Het is even doorbijten, men moet zich moeite willen getroosten, maar dan is ook voor de filosofische leek goed te volgen wat Michel Foucault (1926-1984) bedoelde met De moed tot waarheid (Boom, vert. Ineke van der Burg, 412 blz., €29,90). De teksten van de laatste reeks colleges die de Franse filosoof kort voor zijn dood gaf voor volgepakte zalen, staande achter een met bandrecorders overwoekerde tafel, zijn in dit boek gebundeld. Teruggrijpend op de Griekse oudheid knoopt Foucault telkens aan bij het begrip parrhêsia: vrijmoedig spreken, de hele waarheid zeggen, niets van de waarheid verbergen. Hij onderzoekt de politieke kant van dit begrip (de burgermoed die nodig is om het woord te nemen en het risico om de volkswil te trotseren) en de ethische kant, vertegenwoordigd door Socrates, die iedereen aansprak om het geweten te verontrusten. Het zou zonde zijn deze analyses te reserveren voor specialisten.

Elsbeth Etty