Oma concurrent van de kinderen

Antropologie Grootouders helpen niet altijd bij het opvoeden van de kinderen. Bij sommige volken eten oma en kleinkind elkaar de gierst uit de kom. Daar gaat het idee van ‘coöperatieve broedzorg’.

Elderly people exercise in Copacabana in Rio de Janeiro August 18, 2011. World Bank data show the growth rate of Brazil's older population as many times that of the most developed countries in Europe, projected to equal 14% of the population by 2033, while Copacabana has the largest number of retirees of any neighborhood in the country. Picture taken August 18, 2011. REUTERS/Ricardo Moraes (BRAZIL - Tags: SOCIETY) REUTERS

Mensenmoeders die ook voor eten moeten zorgen, kunnen de verzorging van hun kinderen niet alleen af, zeggen invloedrijke antropologen. Daarom krijgt een westerse werkende moeder van alle kanten hulp: van haar man, van school, van babysitters en kinderopvang. En, als ze in de buurt woont, van oma.

Bij jagers en verzamelaars in Paraguay en Tanzania ontfermen grootmoeders zich over het eerste kleinkind als hun dochter een tweede baby krijgt, ontdekte antropoloog Kristen Hawkes in de jaren negentig. Zo krijgen oma’s meer nageslacht, want hun dochters kunnen sneller achter elkaar kinderen baren. Die rol van grootmoeders verklaart volgens Hawkes, hoogleraar aan de University of Utah, waarom mensen zoveel ouder worden dan andere primaten en waarom vrouwen nog tientallen jaren na de overgang doorleven. Deze ‘grootmoederhypothese’ ligt nu onder vuur.

De jongste woordenstrijd gaat niet alleen over de hulp van oma’s, maar over ‘coöperatieve broedzorg’ in het algemeen. Zo noemen ornithologen het verschijnsel dat bij sommige vogelsoorten individuen de eigen voortplanting uitstellen om voor de jongen van soortgenoten te zorgen. Iets dergelijks zien we ook bij mensen. In dorpen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika passen behalve oma ook oudere zussen en anderen – verwanten én niet-verwanten – op een kind wanneer moeder het te druk heeft om het zelf te doen.

Sociobioloog en antropoloog Sarah Blaffer Hrdy, emeritus hoogleraar aan de University of California (Davis), buigt zich al jaren over dit verschijnsel. Zij denkt dat zich in een vroeg stadium van de menselijke evolutie, nog vóór het ontstaan van taal, coöperatieve broedzorg ontwikkelde bij jagende en verzamelende voorouders van Homo sapiens. Dit zou verklaren waarom mensen zich zo goed kunnen inleven in anderen. Kinderen, schrijft Hrdy in haar boek Mothers and Others (2009), moeten namelijk al heel jong de goede of kwade bedoelingen leren onderscheiden van allerlei volwassenen die zich met hen bemoeien.

In een eerder boek, Mother Nature (1999), schreef Hrdy dat mensen in de loop van de geschiedenis gebruik hebben gemaakt van zogenoemde allomothers, groepsleden die een moeder helpen haar kind op te voeden. Dat kunnen vrouwen zijn (oudere zusters, tantes, oma’s) en ook mannen (broers, minnaars en vaders). Mensenmoeders hebben hulp nodig, zegt Hrdy. Ze zijn slecht toegerust om alleen voor de kinderen te zorgen omdat de mens is geëvolueerd als een soort met coöperatieve broedzorg.

Hawkes en Hrdy worden nu voor het eerst tegengesproken. Een Amerikaanse antropoloog met jaren onderzoekservaring in Afrika zegt dat niet de hele menselijke soort aan coöperatieve broedzorg doet. En dat menig oma geen hulpouder is, maar potverteerder.

Malinese maskerdansen

In Mali, tussen de Niger en de grens met Burkina Faso, ligt de Falaise van Bandiagara, een 150 kilometer lange, steile rotswand. In de droge savanne aan de voet van deze rotsmuur leven de Dogon, een agrarisch volk van 400.000 zielen, dat buiten Mali vooral bekend is om zijn spectaculaire maskerdansen. De Dogon hebben zich nooit, zoals de meeste andere Malinezen, bekeerd tot de islam. Ze houden vast aan hun eigen religie en tradities, waaronder polygynie (mannen hebben meerdere vrouwen) en vrouwenbesnijdenis. Ze weigeren contraceptie; de modale vruchtbaarheid is tien kinderen per vrouw. De kindersterfte is extreem hoog: 46 procent haalt niet het vijfde levensjaar. De Dogon leven vooral van zelf verbouwde gierst. Hun verwantschapssysteem is patrilineair: grond en goederen worden overgeërfd in de mannelijke lijn en vrouwen trekken in bij de familie van hun man. De Dogon wonen in groepjes van verwanten die in het groeiseizoen van de gierst samen één akker bewerken en eten van dezelfde oogst. Zulke werk-eetgroepen omvatten soms twee, soms drie generaties. Als het groepshoofd sterft, valt de groep doorgaans uiteen in kleinere groepjes rond de zonen van de gestorven patriarch.

Beverly Strassman, hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Michigan, doet al 25 jaar onderzoek onder de Dogon. In 1986 begon ze aan een cohortstudie van 1.700 Dogonkinderen en die loopt nog steeds. Ze keek naar de gevolgen van familieverhoudingen voor de fysieke groei en overlevingskansen van de kinderen. In het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences publiceerde ze op 28 juni jongstleden een artikel waarin ze, aan de hand van haar bevindingen in Dogonland, bestrijdt dat mensen in het algemeen aan coöperatieve broedzorg doen. Ze noemt dit ‘een facultatieve aanpassing aan bepaalde sociale en ecologische omgevingen’ – niet meer dan dat. Op de familieverhoudingen van de Dogon, schrijft ze, is de theorie in ieder geval niet van toepassing, want daar legt samenwerking tussen verwanten het af tegen competitie om plaatselijke hulpbronnen. Tussen de vrouwen van één man, tussen kinderen van dezelfde moeder, en tussen grootouders en hun kleinkinderen.

Bij de Dogon, schrijft Strassmann, concurreren siblings (broers en zussen) om voedsel. Hoe groter het kindertal van één moeder, hoe langzamer de lichaamsgroei van elk van haar kinderen. De geboorte van weer een kind vergroot de kans dat één van de kinderen vóór het tiende levensjaar sterft met 26 procent. Tussen siblings overheerst competitie, geen samenwerking. Grotere meisjes sjouwen wel met jongere broertjes of zusjes, maar volgens Strassmann gebeurt dit onder zware druk van de ouders.

Op grond van de hypothese van coöperatieve broedzorg zou je verwachten dat ook andere leden van een werk-eetgroep de zorg voor kinderen overnemen van een moeder, ongeacht (de graad van) verwantschap. In een extended family (een samenlevingsverband van ouders en de families van hun kinderen) zou een kind betere overlevingskansen hebben omdat er meer getrouwde volwassenen zijn in de werk-eetgroep.

Strassmann toetste die voorspellingen aan haar gegevens over sterfte in de eerste vijf levensjaren. Zij stelde vast dat er geen verband was tussen het aantal gehuwde volwassenen in de werk-eetgroep en kindersterfte. Bij de Dogon, concludeert ze, hebben extended families geen duidelijke voor- of nadelen voor kinderen vergeleken met kleinere samenlevingsverbanden. Het personage dat uit het onderzoek naar voren kwam als cruciaal voor de overleving van een kind was de moeder. Kinderen wier moeder in leven was, hadden een 77 procent lager sterfterisico dan kinderen wier moeder dood was. Of de vader nog in leven was, had nauwelijks voorspellende waarde voor het sterfterisico van zijn kinderen.

Coöperatieve broedzorg wordt doorkruist door de praktijk van polygynie; een man heeft meerdere, onderling niet verwante vrouwen en tussen hen bestaat een harde competitie. Het sterfterisico van kinderen is hoger in dorpen met meer getrouwde vrouwen per man, behalve in uitzonderlijk welvarende dorpen.

Strassmann ging na hoe de overlevingskansen van kinderen samenhangen met de overleving van de vier typen grootouders: vaders moeder, vaders vader, moeders moeder en moeders vader. Gecontroleerd voor andere voorspellers van kindersterfte, zoals welstand, was het sterfterisico voor Dogonkinderen tweemaal hoger als de oma van vaders kant nog leefde en 54 procent hoger als vaders vader nog in leven was. Strassmann: ‘Omdat kinderen samenleven met de ouders van vader, leggen grootouders van vaders kant allengs meer beslag op de hulpbronnen van hun kleinkinderen. Die grootouders gaan geleidelijk meer consumeren dan zij produceren. Naarmate de grootmoeder van vaders kant ouder is, wordt het sterfterisico van de kleinkinderen groter. De Dogon beschouwen een oma-weduwe dan ook meer als last dan als waardevolle potentiële hulpouder. Dus zetten ze vaders moeder uit de groep zodra haar man, de patriarch van de werk-eetgroep, is gestorven. Weduwen gaan terug naar hun geboortedorp, waar zij om zichzelf in leven te houden een stukje grond bewerken.’

Bij de Dogon wonen de twee eerstgeborenen van een vrouw een tijdlang bij haar moeder. Dat geldt ook voor jongens, maar die trekken alras in bij hun vaders. Strassmann onderzocht de lichaamsgroei van kinderen die inwonen bij hun moeders moeder in relatie tot hun sekse en de overleving van de vier grootouders. (Daarbij corrigeerde ze voor andere groeivoorspellers.) Meisjes groeiden sneller als hun moeders moeder dood was dan als die nog leefde, waarschijnlijk door het werk dat zij voor haar moesten doen: water halen; tuinen wieden, gierst stampen en brandhout verzamelen. Jongens deden minder werk voor hun moeders moeder en hun groei werd niet beïnvloed door haar overleving.

Al met al is de Dogonsamenleving weinig coöperatief en eet men elkaar de gierst uit de kom.

Moeders en anderen

Strassmann steunt niet alleen op haar eigen veldwerkresultaten. Samen met sociaal-psychologe Wendy Garrard publiceerde ze in het tijdschrift Human Nature (3 juni 2011) een review van 17 onderzoeken naar kinderzorg in patrilineaire samenlevingen. Aan de hand van dat materiaal toetsten de auteurs de theorie van coöperatieve broedzorg én de grootmoederhypothese. In patrilineaire maatschappijen (samen 69 procent van de beschreven samenlevingen), stellen ze vast, verkleint de aanwezigheid van vaders moeder juist de overlevingskansen van het kleinkind, omdat het met oma moet concurreren om voedsel en onderdak. Hoe ouder vaders moeder, hoe groter haar netto beslag op hulpbronnen.

Bij mensen komen concurrentie en samenwerking tussen verwanten even vaak voor, concludeert Strassmann. Coöperatieve broedzorg, schrijft ze, is niet het universele, geëvolueerde patroon. Mensen kennen een grote verscheidenheid aan succesvolle familieverhoudingen. In een interview scherpte ze haar kritiek nog eens aan: “Er bestaat een naïef geloof dat dorpen kinderen collectief grootbrengen. In werkelijkheid worden ze opgevoed door de eigen families en is hun overleving in kritische mate afhankelijk van de overleving van de moeder. In de Verenigde Staten zijn er kerngezinnen én alleenstaande moeders. Veel kinderen van single moms overleven niet alleen, maar doen het prima. Kijk naar Bill Clinton en Barack Obama.”

Strassmann polemiseert, blijkens de eindnoten in haar artikel, vooral met Sarah Blaffer Hrdy. In een reactie per e-mail noemt die collega Beverly Strassmann (‘Bev’) een ‘briljante antropoloog’; ze volgt al jaren ‘met veel belangstelling’ haar werk bij de Dogon. Maar ze heeft meer waardering voor het onderzoek dan voor de conclusies van de onderzoeker. Hrdy: “Zij hanteert een andere definitie van coöperatieve broedzorg dan ik. Mijn hypothese luidt dat, wat ik noem ‘emotioneel moderne’ apen, die zich kunnen inleven in anderen, al vroeg in onze evolutionaire geschiedenis verschenen als een bijproduct van coöperatieve broedzorg. Die definieer ik als zorg voor en proviandering van kinderen ook door anderen dan de genetische ouders.”

Hrdy legt uit waarom dit patroon onderhevig is aan verandering: “Van wezenlijk belang voor de evolutie van coöperatieve broedzorg is dat moeders in de buurt zijn van anderen die ze vertrouwen. Onderzoek bij primaten laat zien dat dit vaak verwanten zijn in de vrouwelijke lijn. In Mothers and Others schrijf ik dat je gedeelde zorg en gezamenlijke proviandering van kinderen niet of veel minder verwacht in sedentaire en sociaal gelaagde landbouwgemeenschappen, zoals de Dogon. Bij jagers en verzamelaars zijn familiesamenstelling en vestigingspatroon heel flexibel. Vrouwen kunnen kiezen bij welke groep ze zich aansluiten, zodat jonge moeders hun eerste kind kunnen baren in de nabijheid van verwanten, en oudere vrouwen in de buurt kunnen zijn van de dochter die hun hulp het hardst nodig heeft.”

Waar landbouw opkomt, zegt Hrdy, maakt nomadisch trekgedrag plaats voor min of meer permanente vestiging en nemen bevolkingsdichtheid en competitie om lokale hulpbronnen toe. “De groepsgrenzen worden minder doorlaatbaar en de vrijheid van moeders om van groep te wisselen vermindert. Daarmee verdwijnen veel van de voorwaarden die gunstig waren voor coöperatieve broedzorg bij onze jagende, verzamelende voorouders.”

Langoeren en zijdeaapjes

Hrdy stelt vast dat er onder de 17 samenlevingen die Strassmann en Garrard gebruikten voor hun review geen enkele is van jagers en verzamelaars. “Hun resultaten zijn voor mij geen reden om Hawkes’ grootmoederhypothese te verwerpen.”

In de polemiek tussen Strassmann en Hrdy botsen twee werelden: die van de veldwerker en die van de evolutionaire theoreticus. Hrdy fundeert haar hypothesen over de menselijke evolutie, behalve op eigen onderzoek aan langoeren en zijdeaapjes, op de aanname dat nog levende jagers en verzamelaars, zoals bestudeerd door Hawkes, ons iets leren over het leven van onze voorouders. Strassmann kijkt naar hedendaagse samenlevingen en daar vindt ze geen bevestiging voor coöperatieve broedzorg als geëvolueerd patroon.

Wie heeft er nu gelijk? David Lancy is een kenner van kinderzorg. Hij is hoogleraar antropologie aan de Utah State University, deed veldwerk in West-Afrika en Papoea Nieuwe Guinea en schreef het standaardwerk The Anthropology of Childhood (2008). Daarin schetst hij, op basis van eigen onderzoek en fikse literatuurstudie, de enorme culturele verscheidenheid aan kinderlevens. Over collectieve broedzorg schrijft hij: ‘Kijk je naar echte kinderen in echte dorpen, dan zie je óf jonge kinderen spelen in een groepje leeftijdgenoten, zonder toezicht van een volwassene, óf je ziet een moeder, een vader, een oudere zus of een grootmoeder op het kind passen. De regel is niet “Iedereen helpt graag een handje bij de zorg voor het kind”, maar “Wie het makkelijkst gemist kan worden bij belangrijker werkzaamheden zorgt voor het kind”. De tweede regel is “De moeder heeft het vaak te druk om voor het kind te zorgen”.

Gevraagd naar een reactie op de polemiek tussen Strassmann en Hrdy, schrijft Lancy per e-mail: “Dat de data over de invloed van uiteenlopende zorgverleners zoveel ruis bevatten, komt juist doordat mensen aan coöperatieve broedzorg doen. Iedereen lijkt er aan mee te doen, ook al is het maar een beetje, en daarom is het heel moeilijk om een meetbaar effect te destilleren voor een bepaald type verwant. Een belangrijke factor die kinderzorg beïnvloedt, is de voortplantingsstrategie. Die varieert van ‘veel kinderen, weinig investering en een hoge kindersterfte’ – de productiestrategie – tot ‘weinig kinderen, grote intervallen tussen geboorten, veel investering en een lage kindersterfte’ – de overlevingsstrategie die we zien bij jagers en verzamelaars. De Dogon van Mali zijn een archetypisch voorbeeld van een productiestrategie: veel nageslacht, weinig investering.”

Lancy sloeg er een al wat ouder boek op na: Dancing Skeletons: Life and Death in West Africa, een studie uit 1994 van antropologe Katherine Dettwyler: “Dogonkinderen worden zó slecht gevoed dat er veel sterven. En vrouwen zijn bijna voortdurend zwanger. Toen een vrouw na de geboorte van het zevende kind in het geheim een voorbehoedmiddel gebruikte, vertelde ze Dettwyler, dacht haar man dat ze in de overgang was. Hij nam meteen een jongere vrouw. De Dogon vinden dat goed voedsel niet aan kinderen is besteed. Zij zouden er de smaak niet van weten te waarderen, zoals volwassenen. En ze hebben ook niet zo hard gewerkt, heet het, om het te produceren. Zij hebben nog een heel leven om zelf te werken voor goed voedsel. Oude mensen, zeggen de Dogon, verdienen het beste voedsel, want zij gaan gauw dood.”

Wat oma’s ook betekend mogen hebben voor hun kleinkinderen bij onze voorouders, grootmoederzorg is op zijn retour, zegt Lancy. Zeker in het Westen en in Japan: “Een Amerikaanse columnist die schrijft over gezinsfinanciën suggereerde echtparen om te bezuinigen op vakantie-uitgaven en er zelf meer van te genieten door de kinderen in de zomer onder te brengen bij hun grootouders. Hij werd overspoeld met brieven waarin hij werd geringeloord voor zo’n schandalige suggestie. Grootouders schreven: ‘Onze dienst zit erop; nu is het hun beurt’. Hedendaagse Japanse grootmoeders vinden het vervelend als hun wordt gevraagd te helpen met de kleinkinderen. Nu ze eindelijk bevrijd zijn van hun eigen kroost willen ze genieten van hun hervonden vrijheid. De één wil breien, een ander wil aan kalligrafie doen, of aan de vechtsport aikido.”

    • Dirk Vlasblom