Noeste arbeid en de glorie van de geniale inval

Psychologie van de wetenschap. Creativiteit, serendipiteit, de persoonlijke factor en de sociale context. Pieter J. van Strien. Amsterdam University Press, 2011, 391 blz., € 32,50

‘Nu by toeval, dan by toeleg.’ De anatoom en toneeldichter Govert Bidloo bezigde deze woordspeling in 1698 in een brief aan Van Leeuwenhoek. En Van Strien (emeritus hoogleraar grondslagen en geschiedenis van de psychologie aan de RUG) gebruikt hem opnieuw. Zijn rode draad is de relativering van de mythe van de ‘geniale schepper’, een afzwakking die uitmondt tussen de polen toeval en toeleg, en de interactie tussen persoon en omgeving.

Van Strien presenteerde zijn boek dit voorjaar in de Groningse universiteitsbibliotheek, omdat die ‘onvermoeibaar boeken bleef aandragen’. Het balt de hartverwarmende eruditie samen van een diligent auteur die altijd affiniteit met dit onderwerp heeft gehad. Toen ik het boek gelezen, nee verslonden had, leende ik het twee keer uit, en herlas het.

Hij laat de feiten voor zich spreken, de mooiste vorm van retoriek. Hij begint met Johan Huizinga, die in Mijn weg tot de historie (1947) vertelt dat hij, lopend langs het Damsterdiep, buiten de stad Groningen, ‘als bij het overspringen van een vonk’ tot het inzicht kwam dat de late Middeleeuwen niet moeten worden gezien als de aankondiging van een aanbrekende Noordelijke Renaissance – de destijds heersende zienswijze – maar eerder als ‘het afsterven van dat wat heengaat’, de invalshoek van zijn Herfsttij der Middeleeuwen.

Tegenover de glorie van de ondoorgrondelijke geniale inval stelt Van Strien, gesteund door experimenteel onderzoek, een nuchtere arbeidsopvatting van creativiteit. Belangrijke vondsten zijn programmeerbaar gebleken per computer en toeval blijkt vaak ook te helpen. Soms verschijnt de oplossing in een droom: Elias Howe, uitvinder van de naaimachine, werd daarin belaagd door inboorlingen met een spies met een gat in de punt. Van Kuhns vermaarde revoluties laat Van Strien zien dat het meestal om evoluties gaat, waarbij de ene onderzoeker op de andere voortbouwt.

Ook rivaliteit, prioriteitsstrijd, fraude en plagiaat (‘gestolen creativiteit’) hebben zijn aandacht, en tot slot het geheim van de creatieve persoon. Eén biograaf van Newton bijvoorbeeld zoekt de oorsprong van diens speuren naar de geheimen van de natuur in zijn jeugd: zijn vader stierf voor Newtons geboorte en al heel jong werd hij door zijn moeder in de steek gelaten. Bij Charles Darwin, de psycholoog William James en de socioloog Max Weber deed de invloed van een dominante vader zich gelden.

De auteur beheerst zijn onderwerp, creativiteit met een hoofdletter, als geen ander. Zijn libido sciendi en lenige pen magnetiseerden mij. Hij heeft alles wat hij aan feiten, duidingen, kritiek, visie en conclusies kwijt wilde elegant verwerkt tot één boek, dat een vertaling verdient. Gelardeerd met kostelijke anekdotes en pikante zinnen. Zo zou Max Webers ‘erotische opdooi’ katalyserend hebben gewerkt bij zijn charismatheorie.

Steeds onvermoede doorkijkjes en kijkdozen. Voor mijn geest een feest. Bij serendipiteit, mijn troetelzonde, onderscheidt hij haarfijn echte serendipiteit, de ongezochte vondst, pseudo-serendipiteit, de gezochte vondst langs ongezochte weg, en niet-serendipiteit, de gezochte vondst langs gezochte weg. Mij verraste de conclusie dat torenhoge intelligentie geen conditio sine qua non is voor Creativiteit. Er komt veel meer bij kijken, zoals innerlijke gedrevenheid: ‘een huwelijk tussen cognitie en emotie’.

Van Strien eindigt met een klacht: waarom was Johan Huizinga niet mededeelzamer over de inval, die aan zijn Herfsttij ten grondslag lag? Was het toen herfst?

Pek van Andel