'Ik ben geen border collie'

CPNB-directeur Eppo van Nispen tot Sevenaer vertelt bij een sesambagel over zijn keerpunttheorie. ‘Ook het fenomeen boek moet helemaal geherdefinieerd.’

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Lunchen met, Eppo v Nispen 10/10/2011, Amsterdam

lles aan Eppo van Nispen tot Sevenaer (47) lijkt te zeggen: ‘Let op: ik klop niet.’ Krijtstreeppak, schoenen met een gouden gesp, keurig hoofd. Je weet: jonkheer, studentencorps Minerva, verantwoordelijke functie. Check. Maar kijk verder: baseballpetje, knotsgekke das, manchetknopen met daarop ‘poor but’ en ‘happy’. Tja.

Even wachten maar tot hij zijn rode iPhone wegstopt in zijn jasje en gaat zitten. Bedenk ondertussen: hij is de directeur van de CPNB, de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek. Voorheen misdaadverslaggever, hoofdredacteur van nieuwsrubriek Hart van Nederland van SBS6 en bibliotheekdirecteur in Delft.

Van tevoren had hij nogal wat verwachtingen gewekt. Per mail informeerde hij of „de landsgrenzen” de beperking waren bij zijn keuze voor een lunchlocatie. „Of is er wellicht te boeken op de maan?” Het werd de Bagels & Beans lunchroom bij boekhandel Selexyz Scheltema in Amsterdam. Niks mis mee natuurlijk, maar het ligt wel een beetje voor de hand. Een restaurant kiezen was een worsteling, erkent hij. Hij dacht eerst aan het pannenkoekenrestaurant waar hij als kind vaak kwam. „Oer-Hollands, geliefd bij alle lagen van de bevolking.” Toen dat restaurant dicht bleek, wist hij het niet meer. Dat komt, hij heeft eigenlijk geen vaste stek of voorkeur. „En als ik iets heb gevonden wat me trekt, dan wil ik daar juist weg.” Hij heeft het zelfs als de caissière van het benzinestation hem begint te herkennen. „De keer erop rij ik liever om.” Allemaal onrust, volgens hem. Veroorzaakt door „nieuwsgierigheid naar wat de wereld nog meer te bieden heeft”.

Hij komt precies op het door hem aangekondigde tijdstip binnen, om 12.01 uur. Een man die met zijn uiterlijk zoveel verwarring zaait over wie of wat hij is, moet eerst maar eens vertellen wat hij zoal doet. Een jaar is hij nu CPNB-directeur. Hij werd ervoor gevraagd. „Een enorme eer, ik hoefde geen seconde na te denken.” De boekenmarkt, zegt hij, is van grote maatschappelijke waarde. „Het is cultuur, het is gevoel. Er zijn zoveel branches waar het slecht gaat, maar als de boekenverkoop tegenvalt, is het groot nieuws. Dat raakt ons in de ziel.” De CPNB, opgericht in de jaren dertig, wil het lezen en het boekbezit promoten. Of nee, propageren zelfs. „Zeg je promo-tie, dan is winst maken je oogmerk. Met propaganda stimuleer je een ideologie.”

Remco Campert

Het geld voor de CPNB komt voor ongeveer eenzevende bij de boekhandelaren, uitgevers en bibliotheken vandaan (samen iets meer dan één miljoen euro). De rest wordt opgebracht door sponsors. Maandag maakt sponsor Nederlandse Spoorwegen bekend welke auteur de NS Publieksprijs heeft gewonnen. Eind volgende week begint de campagne Nederland Leest en geven de bibliotheken een boek van Remco Campert weg. De kinderboekenweek is vandaag afgelopen, het manuscript van Tom Lanoye voor het boekenweekgeschenk van 2012 heeft Eppo van Nispen tot Sevenaer nét uitgelezen. „Elke campagne van de CPNB leidt aantoonbaar tot een piek in de boekverkoop.” Al met al gaat er in het boekenbedrijf zo’n half miljard euro om, mede dankzij de CPNB. „Eén voor allen, allen voor één. Wij zijn het vliegwiel voor lezend Nederland.”

Eppo van Nispen tot Sevenaer zegt dat hij wel soep zou willen. Helaas, dat is er niet, zegt de serveerster. Een groot glas cola dan. Met heel veel ijs. Is er ook niet. Dan maar sap. Maar wat voor sap? Het wordt een mix van alles. „Graag kouder dan koud.” Hij ziet me vragend kijken en steekt zijn handen uit. Aan de linkerringvinger een trouwring en een zegelring. „Voel maar.” Hij heeft het altijd warm. „Als kind al. Mijn kinderen hebben precies hetzelfde.” Zijn vier zoons zijn 8, 11, 14 en 17. Daarboven „de generaal”, de achttienjarige dochter die zijn „allerliefste lief” al had. Ze wonen in Den Haag, in een huis pal naast dat van zijn ouders, die weer naast zijn pas overleden grootmoeder (ze werd 102) en een tante wonen. Naast het huis de stedelijke voetbalvelden, erachter de velden van de tennisvereniging.

Grootmoeder Mimi van Voorst tot Voorst was ooit de eerste die de Gelderse familiekastelen verliet. Zij volgde haar man naar Den Haag en kwam in een huis te wonen. „‘Wat heur ik toch’, placht zij te zeggen. Dat waren dan dus buren.” Hij mag zijn afkomst graag bagatelliseren. Zegt: „Jonkheer, dat stelt niks voor, het is maar een predicaatje.” Grapt dat hij van geboorte 200 procent adel is, van vaders- en van moederskant. En spelt daarna gewetensvol de achternaam van zijn moeder: baronesse d’Aulnis de Bourouill. En even zegt hij trots dat de familie Van Nispen (met alle naamsvarianten die erop volgen) het grootste aantal Kamerleden ooit heeft geleverd. Wij, zegt hij, wij vinden het belangrijk ons te bekommeren om het publieke domein. „Ook als we er geen drie miljoen mee verdienen.”

Zelf was hij net veertig toen hij besloot iets te gaan betekenen voor de maatschappij. Hij was misdaadverslaggever geweest bij Jaap Jongbloed en Peter R. de Vries van de Tros, werkte bij Studio 100 (bekend van K3 en Kabouter Plop) en was net een jaar bij SBS6. Hij wou wel weer eens weg bij de televisie. In de dagelijkse omgang is hij minder weggaanderig, zegt hij als ik er naar vraag. Hij is graag thuis met zijn gezin, en zijn gezin is graag met hem. „In de vakantie gaan alle kinderen nog altijd mee.” Elk jaar huren ze hetzelfde huis in Spanje. Net zoals in zijn jeugd, toen hij met zijn ouders en twee broers logeerde in het huis van een tante. „Ik hou van de Spaanse taal, het eten, het ritme.” Zijn moeder, ‘moesje’ noemt hij haar, is kunstschilder, zijn vader was directeur bij de gemeente. Eén jongere broer (‘de Viking’), een oudere ‘Brad Pitt’) en daartussen Eppo (‘de Turk’), de enige met donker haar en bruine ogen.

„Een maat vertelde me dat de bibliotheek de grootste club van Nederland was, met vier miljoen actieve leden. Dat wist ik niet. Mij leek het duf. Wie wil daar dood gevonden worden?” Hij solliciteerde toch, bij de bibliotheek in Delft. „Ik was vast de eerste kandidaat die in pak kwam. Zo’n rare man. Niet te plaatsen. Ze waren om toen ze me vroegen of ik het een probleem vond dat ze een tekort van twee ton hadden. Toen zei ik dat ik dat in een dag kon oplossen.” Vier jaar was hij er de directeur. De bibliotheek werd uitgeroepen tot de modernste ter wereld. De Britse en Franse nationale bibliotheken, het Amerikaanse onderwijsinstituut Smithsonian, ze kwamen allemaal kijken hoe hij dat voor elkaar kreeg.

Ik wenk de serveerster. Eppo van Nispen tot Sevenaer gebaart me dat niet te doen. „Wacht even tot ze zelf komen. Ze weten dát we willen bestellen. Kijk wat er gebeurt.” Hij heeft van tevoren al bedacht hoe hij gaat bestellen. Niet door te zeggen wat hij wil, maar door te vragen wat de serveerster hem aanraadt. „Gaat ze meteen het lekkerste broodje aanprijzen, of weet ze niet wat ze moet zeggen. Dat is interessant.”

Hij noemt het „systeempje testen”. Kijken hoe iets of iemand reageert. Je kunt het ook pesten noemen, zeg ik. Dat is niet helemaal onwaar, erkent hij. „Ik ben erg van: fuck the system.” Is hij in een dameskledingwinkel, dan kijkt hij of die is ingericht op meekomende echtgenoten. „Of word ik daar als man gedist?” Hij test de supermarkt, de filerijders en nu dus de serveerster. Het duurt even voor ze komt en ze hapert heel even na zijn vraag, maar zegt dan ferm. „Ik neem altijd de sesambagel. En de rookkip is heel lekker.”

Ze is geslaagd.

Verversing

Na vier jaar bij de bibliotheek zat hij net aan ‘een verversing’ te denken, toen hij werd gevraagd voor de CPNB. Hoe ze bij hem kwamen, „een rondborstige katholiek” als opvolger van de „zuinige calvinist” Henk Kraima, weet hij niet. Zelf was hij ook nooit op het idee gekomen. Maar, zegt hij, hij benadert de dingen altijd vanuit het ja, dus nu is hij degene die het lezen mag stimuleren. O ja, daar hebben we het helemaal niet over gehad, over boeken. En nu Eppo van Nispen tot Sevenaer er wel over praat, heeft hij het niet over de letters die erin staan, maar over ‘het fenomeen’. Hij gelooft in de „keerpunttheorie”, het idee dat de wereld nog maar aan het begin staat van een grote omwenteling. „Ook het fenomeen boek wordt helemaal geherdefinieerd.” Hij begint over de sciencefictionfilm The Matrix, waarin mensen computers worden en andersom. „Hoe treurig mensen dat misschien vinden, de technologie zal alles in ons leven veranderen. Nu is de neutrino weer ontdekt. Dank u wel. Wat heeft dat voor consequentie voor onze tijdsdimensie?” Wat hij wil zeggen is: „We ain’t seen nothing yet.” Wat altijd zal blijven bestaan, zegt hij, is de behoefte aan verhalen. „Die moeten verteld worden. Maar of die verhalen op papier staan, in een digitaal bestandje of op een chip maakt niks uit. Nakka, nada, niente, nul.”

Maar de boekhandelaren, de uitgevers, en ook de CPNB schrijven geen verhalen, dat doen de schrijvers toch? Ja, zegt hij, en hij zal ervoor waken dat ze dat kunnen blijven doen. Door iedereen die het aangaat aan zijn tafel te vragen. „Dan zeg ik tegen de ketens van boekhandelaren dat ze nu even alle concurrentie overboord moeten zetten en moeten meedenken over hoe we het gaan aanpakken.” Een hoeder van het geschreven woord, zo wil hij zich niet noemen. „Ik ben geen border collie. Ik ben een drijver, ik zorg ervoor dat mensen gaan nadenken hoe de maatschappij moet worden ingericht om de creativiteit te stimuleren.”

En kent hij al auteurs persoonlijk? A.F.Th. van der Heijden? Connie Palmen? Hij schudt zijn hoofd. Ronald Giphart? Ja, die heeft hij gesproken. Hij schreef in opdracht van de CPNB een lofrede bij het boek voor de Nederland Leest-campagne. De anderen heeft hij als gastheer van zijn eerste boekenbal hooguit de hand geschud. Ah, het boekenbal, zegt hij. „Schitterend feest.” Wat onder zijn bewind niet zal veranderen, is het uitnodigingsbeleid. „Wie mag er komen en wie niet, dat blijft zo mistig mogelijk. Dat hoort bij de magie.”

De bagel is op, de iPhone gaat weer aan. Zijn volgende afspraak was om 13.42 uur en hij is al te laat. Zijn humeur lijdt er niet onder. Integendeel. Lol, zegt hij, is de scherpte van het leven. En het leven is een feest dat gevierd mag worden. Haastig overhandigt hij het plastic tasje dat al die tijd op tafel lag. Daarin twee kinderboekenweekgeschenken, de wikkel van een rolletje drop en een exemplaar van het boek dat komende week uitgedeeld zal worden. De roman van Remco Campert, Het leven is vurrukkulluk.