Extra tijd voor boek met een missie

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

Maandagavond om 20.12 uur ontving ik deze e-mail: „Lieve vrienden, (…) Yvonne neemt dinsdagmorgen om half elf afscheid van haar kinderen en van het leven.”

Mijn lichaam reageerde met een rilling: euthanasie, morgenochtend, 10.30 uur – wil ik dat weten?

Ik heb wel eens twee stralende ouders horen vertellen waar en hoe en wanneer zij hun kind hadden verwekt. Ik vond dat ongemakkelijk: intimiteit werd opeens banaal, ik voelde me alsof ik naar een goochelaar luisterde die z’n verdwijntruc nog ’s heel langzaam voordeed.

Zou ook het einde van het leven, net als het begin, zich maar beter in de kleinst mogelijke kring van geliefden moeten afspelen? Ik dacht na en antwoordde mezelf. Nee. Zei ik daarmee ja? Nog niet.

De e-mail over Yvonne vervolgde: „Zij wil jullie (…) nog heel graag dit zeggen: ‘Ieder van jullie is voor mij bijzonder geweest, en ieder van jullie op een heel eigen en specifieke manier. Het maakte niet uit hoe vaak of hoe weinig we elkaar zagen, hoe lang we elkaar spraken; afstand en tijd speelden geen rol. Het moment telde, de ontmoeting.

Nu dan het afscheid. Ik weet dat sommigen van jullie in gedachten bij me willen zijn als ik aan mijn laatste reis begin. Dat is een enorme steun voor mij. Het voelt alsof ik niet alleen hoef op te breken. Het voelt alsof we samen op reis gaan. Het voelt alsof ik me mag laten dragen op jullie aller handen. (..) Liefs Yvonne.’”

Ik sprak Yvonne op woensdagochtend 15 juni, nu precies vier maanden geleden. Op 21 maart had ze mij een e-mail gestuurd. Ze schreef dat ze omstreeks de jaarwisseling al afscheid had genomen van haar dierbaren, maar dat er opeens toch een chirurg bleek te zijn die het aandurfde haar te opereren aan haar levertumor. Ze doorstond de operatie en onderging bestralingen. Glansrijk.

Genezen was zij niet, maar in maart voelde zij zich beter dan sinds lange tijd en ze had extra tijd gekregen. Maanden, jaren? Haar artsen hadden geen idee. „Ik was helemaal klaar om te sterven, maar nu ben ik bezig mijn leven weer op te pakken”, mailde zij. „Mijn laatste woord is opeens geen laatste woord meer. Past dat ook in de rubriek?”

Ik antwoordde dat ik haar graag wilde ontmoeten. „Mag ik contact opnemen wanneer ik een keer geen afspraak heb kunnen maken met iemand die nog maar kort te leven heeft?” Ik herinner me dat ik had geworsteld met de formulering van deze zin. Zou zo’n vraag ongepast kunnen overkomen? Een ogenblik geduld alstublieft, er zijn nog enkele stervenden voor u... De toon van Yvonne’s eigen mail deed me besluiten dat ’t kon: zelf schreef ze ook in directe bewoording.

In mei maakten we een afspraak, voor de derde woensdag van juni. Door vakantie moest ik enkele afleveringen iets langer van tevoren plannen – zo basaal is het dagelijks leven ook in geval van een serie over de dood. Een week later mailde ze dat ze toch weer pijnklachten had en dat ze op 9 juni de uitslag van nieuw onderzoek zou krijgen.

Het gevoel ‘vrij van kanker’ te zijn had nog geen drie maanden geduurd. Bij onze ontmoeting, op 15 juni, had ze net besloten een volgende reeks chemokuren te ondergaan. „Ik schrijf nu een boek over het laatste jaar van mijn leven”, zo eindigt het stuk dat op 18 juni in de krant stond. „Het wordt een optimistisch en positief boek, met één zwarte bladzijde.”

Die zwarte bladzijde had betrekking op een missie die zij in de extra tijd van haar leven nog wilde volbrengen. Zij schreef een boek voor mannen en (vooral) vrouwen die door hun partner worden verlaten zodra een chronische of terminale ziekte hun relatie onder druk zet. Het was haar zelf overkomen. In gesprekken met artsen en verpleegkundigen hoorde ze over lotgenoten: ‘Dit horen wij zó vaak.’

Medici en hulpverleners moesten meer oog krijgen voor dit verborgen leed. De weg naar gespecialiseerde relatietherapeuten zou makkelijker te vinden moeten zijn. Die weg wilde Yvonne met haar boek vrijmaken.

In de afgelopen maanden bleef ik aangesloten op de e-mails die Yvonne in haar vriendenkring verspreidde, waarin ze zowel de vorderingen van haar boek als van haar ziekte beschreef. De spanning liep op, met telkens ook die vraag: zou ze het boek kunnen afmaken?

Een vriendin mailde twee weken geleden dat Yvonne het boek had afgerond en dat haar laatste dagen nu echt waren aangebroken. Gisteren sprak ik deze vriendin per telefoon. Yvonne heeft de drukproeven nog gezien. Het boek is vrijdag van de drukpers gerold. De vriendin vraagt: „Zou je erover willen schrijven?” Ik denk even na. Wil ik een bijdrage leveren aan Yvonne’s missie? Het antwoord is: ja – deze.

Tekst en foto’s Gijsbert van EsReacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: @laatstewoord