Eendennekjes om een Chinese revolte te eren

Honderd jaar geleden voltrok zich in China een nationalistische, democratische revolutie die van het land een grootmacht heeft gemaakt. De partijleiding viert het uit economische overwegingen, maar de communistische partij bestond nog niet. ‘Er valt helemaal niets te vieren.’

Performers stage a musical play to mark the centennial of the Wuchang Uprising, in Wuhan, central China's Hubei province on October 8, 2011. China is marking the centennial of the Wuchang Uprising which led to the establishment of the Republic of China by revolutionary Sun Yat-sen's Nationalist Party, which fought under the banner of nationalism, democracy and the people's livelihood. CHINA OUT AFP PHOTO AFP

De zonen van de martelaren laten zich de Franse wijnen en de verraderlijke glaasjes Chinese maotai goed smaken. Het 1911-herdenkingsdiner in het zessterren Wanda Westin-hotel in Wuhan met haaienvinnen- en ginsengsoep, vier soorten vis, regionale vleesspecialiteiten en gepeperde en gemarineerde eendennekjes – een lokale delicatesse – is voortreffelijk, net als de service van de tientallen obers.

Er wordt in pittig tempo getoast op de revolutie van 1911, op de moed van de opstandige keizerlijke soldaten en, natuurlijk, op het leiderschap van de Communistische Partij van China. Dat diezelfde CPC in 1911 nog moest worden opgericht, is in dit gezelschap van plaatselijke CPC-leiders een onbetekenend detail.

Aan een ronde eretafel vertelt meneer Xiong Hui (85) op geroutineerde wijze het verhaal over zijn vader, die als jong soldaat van het keizerlijk leger op 10 oktober 1911 als eerste de trekker overhaalde. Dat was het startsein voor een kettingreactie aan revoltes en gebeurtenissen die in januari 1912 leidde tot de stichting van de Republiek China en in februari 1912 zorgde voor de ondergang van de Qing-dynastie en het 2000 jaar durende keizerlijke bewind in China.

Verkrampt

De 1911-revolutie was de eerste grote politieke omwenteling in een reeks die honderd jaar later van China een grootmacht heeft gemaakt. De denkbeelden van toenmalige revolutionairen over democratie en een onafhankelijke rechtspraak zijn nooit verwezenlijkt, maar nog altijd actueel. China is gemoderniseerd, maar over een volgende stap – politieke hervormingen – groeien de spanningen. Dat blijkt ook uit de verkrampte herdenkingsbijeenkomsten, zoals hier in de bakermat Wuhan.

„Mijn vader zei altijd dat het niet veel voorstelde wat hij had gedaan, want er werd door vele andere soldaten die bij de opstand betrokken waren, ook geschoten”, relativeert meneer Xiong, die net als zijn vader lid is geweest van de Kuomintang (Nationale Partij), de eerste, democratische partij in het postkeizerlijk China.

Een jonge functionaris van het partijpropagandabureau onderbreekt „helaas het niet geautoriseerde” gesprekje. De bus staat te wachten. Er wordt goed op meneer Xiong gelet, vooral met wie hij praat.

Meneer Xiong gaat samen met vier andere zonen en kleindochters van 1911-revolutionairen en tweehonderd provinciale en lokale partijleiders nog een boottocht maken op de Yangtze-rivier voordat zij het herdenkingsfeest op het Plein van de Eerste Opstand bijwonen.

„Mijn vader was een volgeling van doctor Sun Yat-sen en heeft altijd gehoopt op een democratische revolutie”, zegt meneer Xiong als hij vriendelijk bij de arm wordt genomen. De gesoigneerde, in driedelig zwart of grijs gestoken Sun Yat-sen (1866-1925) leidde de 1911-revolutie, richtte de Kuomintang op en was de eerste, democratische president van de nieuwe Republiek China. Na een korte regeerperiode moest hij plaats maken voor een krijgsheer met keizerlijke ambities.

Maar spijt het meneer Xiong niet dat de democratische revolutie van Sun Yat-sen, waar zijn vader nota bene zijn leven voor waagde, nooit is afgemaakt en zelfs is stopgezet door de communisten? Het antwoord gaat verloren in het gedrang op de parkeerplaats. Boven nieuwe Audi’s Q7, Mercedes-Benzen en een enkele Maserati wappert een banier: „Wuhan, Hoofdstad van het Licht, Hoofdstad van de Eerste Opstand’’.

Het heeft er om gespannen of Wuhan, 750 kilometer ten westen van Shanghai, zich deze titel mocht aanmeten. De partijsecretarissen van Wuhan hebben in Peking nog stevig moeten lobbyen om van de honderdste jaardag van de 1911-revolutie een „gebeurtenis” te maken.

De leiders in Peking hadden lange tijd geen zin in een grote viering. Die zou de negentigste verjaardag van de in 1921 opgerichte CPC kunnen overschaduwen. Bovendien: de Republiek China hield in communistische lezing in 1949 op te bestaan. De 1911-revolutie is immers geen rode revolutie, de CPC kan hier geen historische eigendomsrechten claimen, want moest nog worden opgericht.

Intussen weigerde het Centrale Propaganda Departement de definitie van „officiële rode toerismeplaats’’ op te rekken. Dat was noodzakelijk om Wuhan in staat te stellen bijna 3 miljard euro te besteden aan de bouw van een 1911-Revolutiemuseum, een herdenkingsmonument met ondergrondse parkeergarages en metrostations en nog 33 andere historische attracties.

Trekpleister

De doorslag gaf het commerciële argument. De herdenking is een uitgelezen kans om van industriestad Wuhan (10 miljoen inwoners, 14 procent economische groei) een toeristische attractie te maken. Na de verwoestingen van de Culturele Revolutie komt Wuhan net als andere Chinese steden toeristische trekpleisters te kort. In die leemte wordt nu haastig voorzien door elk gespaard gebleven klooster, iedere pagode en iedere plek waar Mao is geweest op te knappen en er een kassa voor te plaatsen.

„De Communistische Partij van China heeft natuurlijk grote moeite met de herdenking van 1911. Dat is altijd al zo geweest. Het was helaas geen communistische, maar een nationalistische en democratische revolutie”, zegt Frank Dikötter, historicus en schrijver van Mao’s Great Famine en The Age of Opennes, China before Mao. Hij is verbonden aan de Universiteit van Hongkong.

„Door de 1911-revolutie als het ware in te kapselen in een CPC-versie van de geschiedenis is de herdenking nog te verteren voor de partijleiders”, meent de Nederlands-Engelse Dikötter .

„Als de historici, de schoolboekenschrijvers en de media maar snel overschakelen naar de stichting van de CPC en de oprichting van de Volksrepubliek is er weinig aan de hand. Ook Mao moet snel verschijnen. Anders gezegd: de stichting van de Volksrepubliek moet gepresenteerd worden als een volstrekt natuurlijke en logische uitkomst van de 1911-revolutie. Ja, zo is het natuurlijk niet gegaan”, zegt hij op ironische toon.

Er is vanuit Peking nauwgezet op toegezien dat niemand van het script afweek. Wie dat toch deed, kreeg een telefoontje van de staatsveiligheid, het propagandadepartement of werd vriendelijk doch dringend verzocht een „kopje thee te drinken” op het politiebureau. Twee uitgeverijen trokken twee nieuwe biografieën over Sun Yat-sen in en de première van de opera Dr Sun Yat-sen in Peking op 30 september ging niet door, terwijl de kaartjes al waren verkocht.

Deze nervositeit laat zich eenvoudig verklaren. De betrekkelijk jong gestorven Sun Yat-sen was een democraat. Zijn denkbeelden over een democratisch China met meerdere partijen en een onafhankelijke rechtspraak waren net als zijn levensloop (drie maal gescheiden en vele vriendinnen) in de ogen van de Chinese autoriteiten een te politiek gevoelig verhaal voor brede, publieke consumptie. Men zou op ideeën gebracht kunnen worden.

Chinese scholieren en geschiedenisstudenten leren daarom dat Sun Yat-sen „een revolutionaire pionier” was die droomde over een sterk en zelfbewust China. Hij verzette zich tegen de kolonisering van China en tegen de autocratische keizers. Daarom staan er overal in China standbeelden van hem.

Chinese jongeren leren al generaties lang niets over zijn democratische denkbeelden en zijn plan om China tot bloei te brengen door internationale samenwerking met onder andere de grote vijand Japan en de kapitalisten in het Westen. In Taiwan, waar na de burgeroorlog de Republiek China door de Kuomintang werd voortgezet, heet Sun Yat-sen de „vader des vaderland”, maar die titel is in de Volksrepubliek voorbehouden aan Mao Zedong.

Historicus Dikötter: „De periode 1911-1949 vertoont in Chinese geschiedenisboeken enorme leemtes. In feite leren Chinese jongeren dat die periode werd gekenmerkt door chaos, feodale armoede, strijd tussen krijgsheren, oorlog tegen de Japanse bezetters en tegen de fascisten van de Kuomintang. Er ontstond pas rust en welvaart toen de communisten de Volksrepubliek hadden gesticht, is de boodschap. Een wel zeer onvolledige en eenzijdige beschrijving, nietwaar?’’

Dikötter meent dat de periode tussen keizerrijk en communisme niet alleen door verdeeldheid en wanorde werd gekenmerkt, maar ook door „kaifang’’, Chinees voor glasnost, openheid. Het was een van de meest open periodes in de moderne geschiedenis van China. Door die openheid konden de ideeën van Marx en Engels worden verspreid. Door die openheid konden communisten vergaderingen houden en de CPC oprichten in de Franse Concessie van Shanghai, aldus Dikötter.

Gevangenschap

Een inwoner van Wuhan die de geschiedenis van het Chinese interregnum wel kent is Qin Yongmin, die in november 2010 na een twaalfjarige gevangenisschap werd vrijgelaten. Hij richtte in Wuhan ondergrondse kranten op en een mensenrechtenorganisatie en stichtte in 1998 de verboden Chinese Democratische Partij, een daad die hij met een lange straf heeft moeten bekopen.

Eerst via de telefoon en later via Skype, want bezoek aan huis ontvangen is nog te riskant voor hem, zegt Qin: „Natuurlijk is de herdenking van de 1911-revolutie ook vandaag nog relevant. Onze identiteitscrisis die al een eeuw duurt is nog lang niet voorbij. Ik heb groot respect voor Sun Yat-sen zoals hij werkelijk was en niet zoals hij wordt voorgesteld in onze geschiedenisboekjes. Het is hem helaas niet gelukt een Democratische Republiek China te stichten. Hij kreeg er geen greep op. Het uiteindelijke resultaat van de 1911-revolutie is dat de keizers zijn vervangen door dictators. We zijn er niet op vooruit gegaan”.

Op het Chinese microblog Weibo blijkt dat de denkbeelden Sun Yat-sen ruime verspreiding krijgen ondanks de censuur. Een van de meest prominente Chinese journalisten Zhou Ruijn, de voormalige adjunct-hoofdredacteur van de partijkrant, het Volksdagblad, liet zich onlangs in gelijke bewoordingen uit.

Zhou publiceerde een blauwdruk voor democratische hervormingen, een kopie van een toespraak van Sun Yat-sen over democratie. En hij ging verder. Het Chinese eenpartijmodel volgt volgens hem een rampzalige koers die wordt gekenmerkt door „extreem hoge investeringen, enorme energieverspilling, zware vervuiling, lage inkomens en een totaal gebrek aan mensenrechten”.

Voormalig journalist Zhou haalt verder uit naar de opleving van het Maoïsme en de „rode cultuur’’ die grote bedreigingen voor China vormen. Zhou, lid van de CPC, besluit zijn aanklacht: ,,Het huidige systeem brengt onmeetbare, onomkeerbare schade toe aan onze maatschappij. We zien de kloof tussen arm en rijk groeien, we zien de wanhoop en de teleurstelling toenemen, de corruptie is net zo erg als onder de Qing-keizers. Er valt helemaal niets te vieren”.

Het is een constatering waar de voortdenderende economische locomotief Wuhan geen boodschap aan heeft. Daags na de officiële herdenkingsdag wordt het 1911-museum geopend door de plaatselijke partijleiding in het bijzijn van de burgemeester van de Japanse stad Nagasaki. Sun Yat-sen vluchtte na eerdere, mislukte pogingen om de Qing-keizer te verjagen naar het buitenland, onder andere naar Japan en verbleef enige tijd in Nagasaki. Daar raakte hij bevriend met een Japanse financier en zakenman die later de 1911-revolutie financieel zou steunen. Een feit waar tijdens het Mao-tijdperk niet over gesproken werd.

Deze eertijds politiek incorrecte vriendschap wordt nu gebruikt om de commerciële banden tussen de twee steden aan te halen.

Een Chinees-Amerikaanse zakenman slaat de feestelijke taferelen en de Chinees-Japanse omhelzing geamuseerd gade. „Een oude revolutie is net als een crisis”, zegt hij. „Een prachtige kans om geld te verdienen en de internationale samenwerking te versterken. Dat is toch beter dan oorlog voeren. Sun Yat-sen kan tevreden zijn, nou ja misschien een beetje.”