Een vrij normaal kabinet

Sinds een jaar kent Nederland een minderheidskabinet en voor het eerst in de geschiedenis levert de VVD de minister-president. Hij, Mark Rutte, sprak in de regeringsverklaring op 26 oktober 2010 van „een bijzondere constructie”, die veel ruimte bood voor samenwerking met alle fracties in de Staten-Generaal.

Twaalf maanden later kan worden vastgesteld dat het kabinet steeds minder bijzonder is. De coalitie van VVD en CDA regeert bij de gratie van de PVV, die officieel gedoogpartner maar vaak regeringspartij in vermomming is. Met bijbehorend gedrag: prominente aanwezigheid in politieke achterkamers. Verbale uitspattingen ten spijt, de PVV is tot het Haagse establishment gaan horen.

De kracht van deze combinatie van coalitie en gedoger is dat de partijen zich bewust zijn van hun gemeenschappelijke belangen én van hun onderlinge verschillen. Ze houden zich aan de afspraken die al waren opgeschreven en aan de deals die buiten het zicht van de kiezers worden gesloten. Ze zijn bezig hun akkoorden uit te voeren, inclusief de pijnlijke besluiten waarvan de burgers de gevolgen goeddeels nog moeten ondervinden.

Het minderheidskabinet opereert in de praktijk dus dikwijls zoals een meerderheidskabinet zou doen. De onderlinge cohesie lijkt nog vrijwel onaangetast. Waarbij de kanttekening past dat het kabinet nog niet op een kwart van zijn beoogde regeerperiode zit én dat de kwestie rond de benoeming van de vicepresident van de Raad van State de potentie van een politieke splijtzwam heeft. Het valt moeilijk in te zien hoe CDA-minister Donner in de beeldvorming schadevrij uit deze affaire kan komen.

Maar de overheersende indruk is die van een geoliede samenwerking. De door Rutte beloofde ruimte voor andere fracties is er, afgezien van de informele gedoogpartner SGP, daardoor nauwelijks. Met enkele uitzonderingen, en die zijn wel van essentiële betekenis: Europa, Afghanistan, pensioenen. Het grootste en bepaald niet denkbeeldige risico voor het kabinet is dat het de steun van de oppositie bij deze thema’s verspeelt.

Maar er zijn meer valkuilen. Peilingen binnen de PVV-achterban laten onvrede zien en naarmate die groter wordt, zal de neiging van partijleider Wilders toenemen om de afstand tot het kabinet te vergroten. Hoe afspraakbestendig hij zich tot nu toe ook toont. Zijn gedrag vormt al een risico, met zijn beschimpingen van binnenlandse en buitenlandse politici, die pijnlijke situaties opleveren. Rutte kan zijn schouders niet blijven ophalen als Wilders met beledigingen strooit. Zoals gisteren in het AD waarin hij Europees Commissaris Malmstöm, een liberale geestverwante van de premier, „een halve hippie” en „een vreselijk mens” noemde.

Het belangrijkste motief voor de PVV om gedoogsteun te verlenen, was de aanpak van de migrantenstroom. Het regeerakkoord belooft een daling die „zeer substantieel” is, Wilders rekent op een vermindering van 50 procent, maar de verantwoordelijke minister, Leers, wil zich aan geen cijfer binden. Hij noemde migratie recentelijk zelfs „een verrijking voor de samenleving”. Dat kwam hem op hoon van Wilders te staan en een opdracht van zijn premier om de zaak met de PVV-leider uit te praten. Hoe lang leent Leers zich nog voor zulke, voor hem en het CDA gênante vertoningen?

Het kabinet is gestaag bezig met het uitvoeren van regeer- en gedoogakkoord, enkele mislukkingen daargelaten. Los van de inhoud daarvan: het is prijzenswaardig als een kabinet doet wat het belooft. CDA en VVD hebben vaker laten zien dat ze, door elkaar ruimte te gunnen, als coalitie tot coherent beleid in staat zijn. De PVV heeft, omwille van de macht, veel van haar wensen ingeleverd.

Maar het grootste obstakel ligt nog op de weg: de financiële crisis – waardoor het afgesproken pakket van 18 miljard aan bezuinigingen en lastenverzwaringen tekort kan schieten – in combinatie met omstreden steun aan landen als Griekenland. In 2012 wordt de stevigheid van de alliantie tussen kabinet, regeringsfracties en gedoogpartner pas echt beproefd.