Een stenen boek voor gelovigen

Aflevering 7: over de ‘De Acropolis van Frankrijk’, de gotische kathedraal Onze-Lieve-Vrouwe van Chartres.

Europa wemelt van de gotische kathedralen – er is voor elk wat wils. Puristen reizen naar Amiens, Reims of Toledo. Wie geen bezwaar heeft tegen neogotiek gaat naar Liverpool of Oostende. Wie hunkert naar the real thing, maar toch iets heel anders wil, bezoekt de Duomo in Milaan, de Sagrada Familia in Barcelona of de Groene Kathedraal (van echte populieren) in Flevoland. De sombermans voelt zich aangetrokken tot het imposante grijszwart van de dom van Keulen; de optimist tot de kleurige Backsteingotik in Noord-Duitsland en Scandinavië. De literatuurliefhebber is gefascineerd door de Notre Dame de Paris, waarover Victor Hugo zijn gelijknamige roman schreef; de popfanaat gaat op bedevaart naar Winchester Cathedral, onderwerp van hits van The New Vaudeville Band en Crosby, Stills & Nash.

Toch kan er maar één gotische bisschopskerk de beroemdste zijn, en dat is de Onze-Lieve-Vrouwe van Chartres. Niet omdat ze de grootste is, want dat is Liverpool Cathedral; en ook niet omdat ze de oudste is, want dat is de Saint-Denis in Parijs; maar omdat ze in korte tijd gebouwd werd (1193-1250) en daarna zonder noemenswaardige kleerscheuren de eeuwen heeft doorstaan. Waarbij dat laatste ook geldt voor de verbluffende gotische beelden in de negen toegangsportalen, en voor 152 van de 176 onvergelijkelijke glas-in-loodramen uit de twaalfde en dertiende eeuw.

Photononstop

Kathedraal te Chartres. Photononstop

Chartres overleefde de branden die epidemisch waren in de Middeleeuwen, de godsdienstoorlogen van de vroegmoderne tijd, en ook de beeldenstorm die volgde op de Franse Revolutie (dankzij een opstand van de stadsbewoners tegen de antirevolutionaire stormtroepen). Tijdens de Tweede Wereldoorlog stond de kathedraal op de hitlist van de geallieerden omdat er een Duits hoofdkwartier in gevestigd zou zijn. Het was te danken aan een riskante verkenningsmissie van een kunstlievende Amerikaanse kolonel (Welborn Barton Griffith jr, later gesneuveld in de buurt van Chartres) dat het bevel tot bombarderen werd ingetrokken.

‘De Acropolis van Frankrijk’ noemde de beeldhouwer Auguste Rodin de Notre-Dame de Chartres, die inderdaad op een kleine verhoging in het provinciestadje 80 kilometer ten zuidwesten van Parijs ligt. Geen wonder dat het hoogtepunt van de Franse gotiek én van de middeleeuwse bouwkunst in 1979 als eerste gotische kathedraal op de UNESCO Werelderfgoedlijst werd bijgeschreven. Maar behalve een toeristenmagneet, waarvan het blauwe glas-in-lood wereldwijd een begrip is geworden (‘bleu de Chartres’), is de Notre-Dame ook een religieuze bedevaartsplaats. Nog steeds komen massa’s pelgrims naar Chartres om de heilige tuniek van Maria te zien die in de negende eeuw door Karel de Kale aan de toen nog romaanse kerk is geschonken. Eenmaal binnengekomen door het ‘koninklijke portaal’ aan de westelijke façade – met afbeeldingen van het leven van Jezus, het Laatste Oordeel en figuren uit het Oude Testament – lopen ze via een labyrint op de marmervloer naar het midden van de kerk, vanwaar ze het beste zicht hebben op de beroemde gebrandschilderde ramen. Aan de westkant de Geboorte, de Passie en de Opstanding; aan de noordkant van het transept scènes uit het Oude Testament; aan de zuidkant het Eind der Tijden en de beroemde Notre-Dame de la Belle Verrière. De kathedraal was een stenen boek dat iedere gelovige kon lezen.

Die gelovige zou bijna vergeten om ook het overweldigende interieur te bekijken, met zijn pilaren en scheibogen, zijn kruisribgewelf op 36 meter hoogte, zijn lucht- en spitsbogen. Allemaal functionele vormen die de middeleeuwse bouwmeesters toepasten om meer hoogte en vooral licht in hun kerken te krijgen – precies wat hen onderscheidde van de romaanse architecten die het dak van hun kerken op een woud van zware pilaren lieten rusten. De pionier van de gotiek (de oorspronkelijk negatieve term dateert uit de zestiende eeuw en verwees naar de barbaarse Goten) was de abdij van de benedictijnse geestelijke Suger, die rond 1140 in de kerk van Saint-Denis het schip en de zijbeuken met behulp van de nieuwe technieken deed rijzen. Zijn voorbeeld werd vooral gevolgd in Noord-Frankrijk, dat beschikte over de beste (kalk)steen om mee te bouwen en waar genoeg welvaart was om dagelijks driehonderd man aan een kerk te laten werken. De kathedralen mochten daarna ook door de hele stadsbevolking worden gebruikt. In de late Middeleeuwen werd rondom de noordelijke zijbeuk van de Notre-Dame de Chartres textiel verhandeld, bij het zuidportaal vlees en groente, terwijl in het schip profane diensten werden verleend door geldwisselaars en wijnhandelaars.

tempscathedrales-duby-300x463

‘Chartres’, dat de inspiratiebron was voor de fictieve kerk in het immens populaire ‘hoe-bouw-ik-een-kathedraal’-jeugdboek van David Macaulay uit de jaren zeventig, is binnen twee generaties gebouwd – in no time als je het vergelijkt met andere kathedralen, die er soms eeuwen over deden om tot enige hoogte te reiken. In veel steden moet zich rondom het beoogde landmark een voortdurend proces van fondsenwerving en onderbroken bouwactiviteit hebben afgespeeld. De Franse historicus Georges Duby had dan ook geen betere titel aan zijn baanbrekende studie (1975) over de middeleeuwse samenleving kunnen geven dan Le temps des cathédrales. De kathedralen waren de concrete verbeelding van het christelijke geloof en de verhevenheid van God; Gesamtkunstwerke waarvan de architecten onbekend bleven, of zoals Orson Welles het uitdrukt in zijn film F for Fake, waarin Chartres een rolletje speelt: meesterwerken zonder handtekening.