Een cartoon kan veel zeggen - en de lezer verstaat soms iets heel anders

Een plaatje zegt meer dan duizend woorden, heet het. Cartoons zijn om die reden een belangrijke verrijking van de krant. Ze strelen – als het goed is – het oog en prikkelen het brein.

Er komen ook geregeld klachten over binnen. Kamagurka’s morbide knipoog naar het nieuws valt niet bij iedereen in de smaak. Ook aan de studentikoze grollen van een loslopende eend en kanarie willen sommige lezers niet wennen.

Dat is het lot van cartoonisten, die commentaar leveren op het nieuws. Net als columnisten hebben zij liefhebbers en haters. Ook voor hen liggen sommige onderwerpen extra gevoelig: de oorlog, de dood, het Midden-Oosten.

En soms hoort de lezer ook iets heel anders dan wat de tekenaar heeft willen zeggen.

Zo stoorden enkele lezers zich hevig aan een recente cartoon van minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal op de Opiniepagina. De bewindsman was afgebeeld met Israëlische vlaggen op zijn gezicht en das. „Een dergelijke opzichtige verwijzing naar de Joodse afkomst en familiebetrekkingen van een politicus die door de krant niet wordt gewaardeerd, is de laatste 66 jaar niet in een toonaangevend dagblad in Nederland verschenen”, protesteerde een lezer. Een ander verwees maar meteen naar Der Stürmer.

Die associaties lijken mij op de keper beschouwd kwaadsappiger dan de tekening zelf.

Al was die, toegegeven, weinig geestig of origineel. Vlaggen of andere nationale symbolen aanbrengen op het gezicht of de kleding van een politicus is een uitgeputte vondst. Politiek cartoonist Frits Behrendt van het Parool en De Telegraaf, grossierde in zulke letterlijke hulpmiddelen. Hij schreef didactisch ‘Palestina’ op een brandende bom, of ‘Aids’ op de zeis van Magere Hein. Voor wie het nog niet helemaal had begrepen, denk ik dan.

Maar Der Stürmer?

Het portret van Rosenthal leek in niets op zulke racistische propaganda. De minister had ook geen „davidssterren” op zijn gezicht, zoals de lezer aanvankelijk schreef, maar de Israëlische vlag. Chef Opinie Maarten Huygen: „Als dat wel zo was geweest, had ik gevraagd het aan te passen. Zoiets doen wij niet.”

Tekenaar Siegfried Woldhek zegt er zelf dit over: „Ik heb de minister afgebeeld als een vlaggendrager van Israël. Dat is precies wat hij volgens mij deed, die week.” Rosenthal maakte zich toen sterk voor het schrappen of aanpassen van kritische passages over Israël in een concepttekst van de Europese Unie.

Overigens vertolkte Woldhek niet de mening van de krant. Met een losse cartoon als deze geeft een tekenaar zijn persoonlijke visie – en daar heeft hij, net als een columnist, een grote mate van vrijheid in. Hooguit wordt over een tekening soms een second opinion gevraagd bij een chef of bij de hoofdredactie. Dat was nu niet gebeurd, zegt Huygen.

Woldhek zegt dat hij wel aarzelde over die vlaggetjes, „omdat het zo’n afgezaagd middel is”. Jaren geleden beeldde hij toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek al eens af met oogkleppen in de vorm van de Amerikaanse vlag. „Maar als je vindt dat dit naar de oorlog verwijst, weet je volgens mij niet waar je het over hebt. Maar zo gevoelig ligt dit onderwerp kennelijk.”

Dat laatste kan ik bevestigen.

Een paar jaar geleden ontving de krant bezoek van een Iraniër die zich kwaad had gemaakt over een cartoon van een ayatollah met een baard die droop van het bloed. Niet subtiel. Maar het was kort na de studentenprotesten in Teheran, die bloedig waren neergeslagen door het regime. De cartoon kwam van een internationaal persbureau waar de krant op is geabonneerd, en niet van een van de eigen tekenaars.

Het bezwaar luidde: dit was geen objectieve journalistiek, maar partijdige stemmingmakerij. Volgde een discussie over de opiniërende rol van cartoons, waarin als het goed is iedereen ervan langs krijgt. Tegenover de cartoon van de ayatollah stond bijvoorbeeld een – brute – cartoon van Israël als een bebloede dolk. Maar dát is terecht, was de reactie van de Iraanse bezoeker.

Kortom, we werden het niet eens. Die Israël-cartoon kwam overigens van hetzelfde bureau als de ayatollah-met-bebloede-baard. Zulk aanbod is goedkoper dan het maatwerk van vaste cartoonisten – maar ze zijn ook een stuk minder goed.

Uit de anekdote valt nog wel iets op te maken.

Lezers die erg betrokken zijn bij een onderwerp, herkennen het persoonlijke karakter van een tekening vaak nog minder dan dat van een column, ook al staat hij op de Opiniepagina. Een losse cartoon, waar de lezer zijn eigen tekst bij kan bedenken, wordt al snel gezien als een statement van de krant. Dat bleek ook in de Deense ‘cartoonoorlog’ in 2006, toen lezers erop aandrongen de gewraakte spotprenten van Mohammed nog eens allemaal af te drukken – als politiek gebaar.

Waar ligt de grens? Bij cartoonisten gaat het vooral om de vraag of ze goed bij een krant passen. Het is slecht voor te stellen dat Opland voor De Telegraaf zou hebben gewerkt, bijvoorbeeld. NRC Handelsblad zoekt het in artistieke kwaliteit, en de vaste cartoonisten hebben die in ruime mate bewezen.

Wat niet wil zeggen dat ook zij nooit eens ongeïnspireerd, of over-geïnspireerd, werk zullen afleveren. Maar dat is nog geen oorlogspropaganda.

Sjoerd de jong