De verstekelingen van de globalisering

De uitwisseling van planten en parasieten door handel en verkeer heeft als een biologisch internet alle stukjes natuur in de wereld onderling verbonden, en herschept geheel onbedoeld de uiteenliggende continenten. Charles C. Mann over aardwormen in de VS.

A one hundred gram Argor Heraeus SA branded gold bar is seen in this arranged photograph at Gold Investments Ltd. bullion dealers in London, U.K., on Tuesday, June 14, 2011. Gold may gain for the first time in three days in New York as concern about rising inflation and Europe's debt crisis spur demand for the metal as a protection of wealth. Photographer: Chris Ratcliffe/Bloomberg Bloomberg

In de grote tropische haven van Manila naderen twee groepen mannen elkaar omzichtig, klaar om hun wapens te grijpen. Het zijn berekenende handelaren uit diametraal tegenovergestelde hoeken van de aarde: Spanje en China.

De Spanjaarden hebben een schat aan zilver, in Amerika door indiaanse en Afrikaanse slaven uit mijnen gehaald; de Chinezen een keur aan fijne zijde en porselein, het resultaat van geavanceerde, in Europa onbekende productieprocessen. Het is zomer 1571 en deze ruil van zijde en zilver in Manila – het begin van een uitwisseling die bijna 250 jaar zou aanhouden – markeert het begin van wat we nu globalisering noemen. Europa, Azië en Amerika waren voor het eerst in één economisch netwerk verbonden.

De zijde zorgde voor opschudding in Spanje, en het zilver deed hetzelfde in China. Maar de massa’s die de terugkerende schepen begroetten, hadden geen idee wat ze werkelijk meebrachten. Doorgaans beschrijven we globalisering in louter economische termen, maar het gaat ook om een biologisch fenomeen. Onderzoekers denken meer en meer dat niet zijde of zilver maar een ongeregeld allegaartje aan planten en dieren, veelal toevallige verstekelingen, de belangrijkste lading van deze vroege oceaanreizen vormde. Historisch gezien was het misschien wel vooral deze biologische kant van de globalisering die het lot van ’s werelds landen en volken bepaalde.

Zo’n 250 miljoen jaar geleden kende de wereld één enkele landmassa, die we aanduiden als Pangea. Geologische krachten braken dit enorme gebied op, waardoor Eurazië en Amerika voorgoed gescheiden raakten. In de loop van de tijd ontwikkelden de beide helften van Pangea elk hun eigen, onderling zeer verschillende, flora en fauna.

Voor Columbus de Atlantische Oceaan bezeilde, staken slechts enkele avontuurlijke landorganismen de wereldzeeën over om zich blijvend aan de overzijde te vestigen. Afgezien daarvan was de wereld in aparte ecologische rijken verdeeld. Columbus’ meest cruciale wapenfeit was dat hij, zoals de historicus Alfred Crosby het noemde, die losse stukken Pangea weer aan elkaar breidde.

Na 1492 botsten de continentale ecosystemen op elkaar en vermengden ze zich doordat duizenden soorten met Europese schepen naar nieuwe leefgebieden overstaken. De Columbiaanse Uitwisseling – Crosby’s term – bracht de tomaat naar Italië, de sinaasappel naar Florida, de chocola naar Zwitserland en de rode peper naar Thailand.

Waar dankt Europa zijn overheersende positie aan? Wat bracht China, ooit het rijkste en meest geavanceerde land ter wereld, op zijn knieën? Waarom raakte slavernij ingeburgerd in Amerika? Waarom was de Industriële Revolutie primair een Britse aangelegenheid? Voor al deze vragen is de Columbiaanse Uitwisseling van cruciaal belang.

Waar zullen we beginnen? Met de wormen misschien maar eens. Aardwormen om precies te zijn, en dan vooral de gewone regenworm en de rode worm, dieren die in Noord- Amerika voor 1492 niet voorkwamen.

Lang voor het begin van de zijde- en zilverhandel over de Stille Oceaan voeren Spaanse en Portugese veroveraars de Atlantische Oceaan af op zoek naar goud en zilver. Uiteindelijk haalden ze grote hoeveelheden daarvan uit Bolivia, Brazilië, Columbia en Mexico, waardoor de Europese geldvoorraad een enorme groei doormaakte. Maar de schepen naar het thuisland brachten nog iets mee wat al even belangrijk was: de Amazoneplant die we nu kennen als tabak.

Tabak, bedwelmend en verslavend als het was, werd de eerste werkelijk mondiale rage. Toen Engeland in 1607 in Virginia zijn eerste kolonie stichtte, kende Londen al meer dan 7.000 ‘tabakshuizen’ – caféachtige ruimten waar de groeiende massa Londense nicotinejunks tabak kon kopen en roken. Om aan de vraag te voldoen, meerden Engelse schepen in Virginia aan om tonnen opgerolde tabaksbladeren te laden. Die tonnen, één meter twintig hoog en driekwart meter in doorsnee, wogen vierhonderd kilo of meer, en de schepelingen hielden het schip stabiel door ballast te lossen: stenen, grind en aarde. Zo ruilden ze Engelse grond in voor Virginiatabak.

Die aarde bevatte naar alle waarschijnlijkheid de gewone regenworm en de rode worm. En dat gold vrijwel zeker ook voor de kluiten van door kolonisten ingevoerde planten. Voor de komst van de Europeanen kenden het Midwesten, Nieuw-Engeland en Canada geen aardwormen – die hadden de laatste IJstijd niet overleefd.

In wormvrije wouden vormen bladeren dikke lagen op de bosbodem en zijn bomen en struiken voor hun voeding afhankelijk van de strooisellaag. Komen er wormen dan verteren die het bladstrooisel snel en zetten ze de voedingsstoffen diep in de grond af via hun uitwerpselen. Daarmee raken de planten hun voedingsbron kwijt; hun fijne, oppervlakkige wortelstelsels zitten op de verkeerde plek. Wilde struikwinde, wilde haver, salomonszegel en een hele reeks andere kruiden en struiken sterven uit; grasachtige planten als Carex pensylvanica, een Amerikaanse zegge, nemen hun plek over. De esdoorn groeit nauwelijks meer maar essenzaailingen schieten enthousiast omhoog.

Aardwormen, tegenwoordig verspreid door boeren, tuinders en hengelaars, zijn dwangmatige grondwerkers die op het ogenblik grote stukken van Minnesota, Alberta en Ontario op de schop nemen. Niemand weet waar het heen zal gaan met dit in ecologenogen enorme en ongeplande, al eeuwen durende experiment.

Voor Columbus kwamen de parasieten die malaria veroorzaken in Eurazië en Afrika op grote schaal

Vervolg verstekelingen: pagina 2

Geen idee wat schepen echt binnen brachten

voor, maar in Amerika waren ze onbekend. In de lichamen van zeelui staken ze wellicht al tijdens Columbus’ tweede reis de Atlantische Oceaan over. Gele koorts, vaak niet ver weg waar malaria voorkomt, volgde al snel.

Begin zeventiende eeuw was de streek waar deze ziekten heersten – de kustgebieden van rond Washington tot aan de grens tussen Brazilië en Ecuador – voor Europeanen gevaarlijk terrein geworden. De meeste nieuwkomers stierven binnen enkele maanden. West-Afrikaanse immigranten, daarentegen, beschikten over aangeboren of jong verworven verdedigingsmechanismen.

Aanvankelijk gaven Amerikaanse plantage-eigenaren de voorkeur aan Europese landarbeiders – die spraken dezelfde taal en waren vertrouwd met Europese landbouwmethoden, en ze kostten minder dan in Afrika gekochte slaven. Maar ze waren wel veel minder gehard en daarmee als investering riskanter. Zuiver economisch gezien, zo berekende de historicus Philip Curtin, maakten de ziekten van de Columbiaanse Uitwisseling slaven uiteindelijk „voordeliger dan Europeanen, zelfs als ze het drievoudige kostten”.

Was de Columbiaanse Uitwisseling de oorzaak van de massale slavernij? Nee. Mensen zijn morele wezens die hun eigen afweging maken. Maar iedereen die weet hoe markten werken, zal de aantrekkingskracht begrijpen van de grotere opbrengst van slaven als arbeidskracht.

Veel directer was de rol van de Columbiaanse Uitwisseling in de schepping van Groot-Brittannië. In 1698 wist William Paterson, een vooruitziende sjacheraar, rijke Schotten over te halen meer dan de helft van ’s lands kapitaal te investeren in een poging om Panama te koloniseren en zo de handel tussen het Atlantische en het Stille Oceaangebied in handen te krijgen. Zoals de historicus J.R. McNeill vertelt in zijn Mosquito Empires, stierf 90 procent van de 2.500 kolonisten al snel aan malaria en gele koorts. Het debacle leidde tot een financiële ineenstorting.

Engeland en Schotland hadden destijds dezelfde man als koning, maar het waren zelfstandige landen. Engeland, de grootste van de twee, drong al tientallen jaren aan op een complete samenvoeging. De Schotten hielden dat af, bang als ze waren voor een door Londen beheerste economie. Maar nu beloofde Engeland als onderdeel van een vereniging van beide landen de geldschieters van het mislukte Panamaproject schadeloos te stellen. Zoals McNeill schreef: „Zo was de geboorte van Groot-Brittannië mede te danken aan de Panamese koortsen.”

Veel reden tot klagen over de gevolgen van de Columbiaanse Uitwisseling hadden de Schotten overigens niet. Tegen de tijd dat hun land opging in Groot-Brittannië, werd hun dagelijks brood, om die term maar eens te gebruiken, gevormd door een Zuid-Amerikaanse knol die we nu allemaal kennen als de huiselijke aardappel.

Vergeleken met granen leveren knolgewassen wezenlijk meer op. Als de aar van een graan te groot wordt, knakt de plant om, en dat wordt zijn dood. Knollen kennen dergelijke structurele beperkingen niet, want die groeien ondergronds. Achttiende-eeuwse boeren die aardappels verbouwden, oogsten ongeveer vier keer zoveel eetbare droge stof als met tarwe of haver.

Honger was destijds in Europa een gangbaar verschijnsel. Volgens de Franse historicus Fernand Braudel kende Frankrijk tussen 1500 en 1800 veertig landelijke hongersnoden, meer dan één per decennium. Engeland had er nog meer. Het continent kon zichzelf gewoon niet voeden.

De aardappel bood een groot deel van Europa – een 3.500 kilometer lange strook van Ierland tot Oekraïne – de mogelijkheid in eigen onderhoud te voorzien. (Maïs, eveneens een Amerikaans gewas, speelde een soortgelijke rol in Italië en Roemenië.) Dat op zijn beurt leidde tot politieke stabiliteit, hogere inkomens en een snel groeiende bevolking. De uit Peru ingevoerde aardappel leverde de brandstof voor de opkomst van Europa.

De zoete aardappel speelde een soortgelijke rol in China. Via de zilverhandel in de jaren 1590 (met de maïs) uit Zuid-Amerika ingevoerd, bood die Chinese boeren opeens de mogelijkheid om voor rijstbouw ongeschikte berggebieden in cultuur te brengen. Het voedzame nieuwe gewas stimuleerde de vruchtbaarheidsexplosie van de Qingdynastie, maar het experiment liep al snel ernstig uit de hand. Aangezien Chinese boeren nooit hun droge bergland bebouwd hadden, maakten ze beginnersfouten. Toenemende erosie leidde tot uitzonderlijk heftige overstromingen, die op hun beurt de opstandigheid aanwakkerden en daarmee het bewind destabiliseerde. Het nieuwe gewas dat Europa versterkte, speelde een sleutelrol in de ondermijning van China.

De Columbiaanse Uitwisseling had ook andere bezwaren. Toen de Spaanse kolonisten op Hispaniola in 1516 Afrikaanse bakbananen invoerden, zo vermoed de Harvard-entomoloog Edward Wilson, brachten ze ook een aantal parasieten van de plant mee: schildluizen die het sap uit bananenwortels zuigen.

Op Hispaniola, aldus Wilson, hadden deze insecten geen natuurlijke vijanden. Hun aantal moet explosief zijn toegenomen – een verschijnsel dat als ‘ecologische bevrijding’ wordt aangeduid. Die uitbraak van schildluizen zou een feest zijn geweest voor een inheemse soort: de tropische vuurmier die dol is op hun suikerrijke ontlasting. Een grote toename van schildluizen zal tot een grote toename van vuurmieren hebben geleid.

Tot zover is het gissen, maar wat er in 1518 en 1519 gebeurde, staat vast. Volgens het verslag van een priester die er ooggetuige van was, werden de Spaanse huizen en plantages op Hispaniola overstroomd door „een oneindig aantal mieren” waarvan de steek „pijnlijker is dan die van wespen die mensen bijten en kwellen”. Overweldigd door de mierenvloed ontvluchtten de Spanjaarden hun huizen. Santo Domingo raakte ontvolkt. Het was de eerste moderne ecologische ramp.

Een tweede, veel ingrijpender ramp deed zich twee eeuwen later voor toen Europese schepen bij toeval het uit Peru afkomstige, schimmelachtige organisme invoerden dat bij aardappelen de kwaal veroorzaken die we kennen als Phytophthora of ‘de’ aardappelziekte. De eerste gevallen deden zich in juni 1845 voor in Vlaanderen. Verspreid door de wind bereikte de ziekte in augustus Parijs. Enkele weken later legden akkers in Nederland, Duitsland, Denemarken en Engeland het loodje. Op 13 september verscheen hij in Ierland.

Geen westers land was zo afhankelijk van de aardappel als Ierland. In nog geen twee jaar kwamen meer dan een miljoen Ieren om. Miljoenen anderen ontvluchtten het land, dat die klap nooit geheel te boven kwam. Tegenwoordig heeft Ierland de trieste eer als enig Europees land minder inwoners te hebben dan 150 jaar geleden.

De Columbiaanse Uitwisseling duurt nog altijd voort. De Braziliaanse rubberboom bedekt nu grote stukken van Zuidoost-Azië en levert daar de latex die nodig is om de banden, ringen en pakkingen te maken die in het verborgene de industriële beschaving gaande houden. (Synthetische rubber van een vergelijkbare kwaliteit kennen we nog steeds niet echt.)

Aziatische rubberplantages danken hun bestaan aan Henry Wickham, een Britse avonturier die in 1876 70.000 rubberzaden uit Brazilië naar de botanische tuinen van het Londense Kew smokkelde. In het Amazonegebied waar de rubber vandaan komt, zijn rubberplantages vrijwel onmogelijk, omdat de bomen door de agressieve inheemse schimmel Microcyclus ulei worden uitgeroeid. Net zoals de aardappelziekte de Atlantische Oceaan overstak, zal M. ulei beslist ooit de Stille Oceaan oversteken, en de gevolgen zijn even verschrikkelijk als voorspelbaar.

Soorten hebben zich altijd verspreid, dankbaar gebruikmakend van toeval en gunstige omstandigheden. Maar de Columbiaanse Uitwisseling heeft als een biologisch internet alle stukjes van de natuurlijke wereld onderling verbonden, en herschept die wereld met een verbijsterende vaart, of we dat nu leuk vinden of niet. De gevolgen zijn even moeilijk te voorspellen als die van de globalisering zelf. Terwijl plantages van Braziliaanse rubber de tropische wouden van Zuidoost-Azië verdringen, wordt meer dan 200.000 vierkante kilometer van het zuidelijke Amazonebekken, een gebied ter grootte van heel Groot-Brittannië, beplant met de uit China afkomstige sojaboon. In het droge noordoosten van Brazilië is meer dan 40.000 km2 bedekt met de Australische eucalyptus. Als wederdienst proberen Australische ondernemers nu plantages aan te leggen met açaí, een Braziliaanse palm waarvan de vrucht door beroemdheden als supergezond wordt gepropageerd.

Al die ontwikkelingen zullen economisch winstgevend zijn – de soja- export bijvoorbeeld maakt van Brazilië een economische grootmacht en verbetert het lot van talloze arme boeren in uithoeken van het land. Maar de keerzijde van de voortgaande Columbiaanse Uitwisseling is al even krachtig. In de Verenigde Staten worden hele wouden verwoest door een leger van uitheemse plagen, waaronder een waarschijnlijk uit Zuid-China afkomstig neefje van de aardappelziekte die het op eiken heeft voorzien (‘sudden oak death’); de essenprachtkever uit Noord-China die mogelijk in scheepspallets meereisde; en de zwartebessenroest, een in Siberië inheemse schimmel die bepaalde dennensoorten als tussengastheer gebruikt en die in 1920 voor het eerst in de Verenigde Staten opdook.

Bossen vol dode bomen zijn vatbaar voor rampzalige bosbranden, die tot enorme veranderingen kunnen leiden. Nieuwe soorten stromen toe om de verdwenen soorten te vervangen, en het resultaat is onvoorspelbaar. We zullen gewoon moeten afwachten wat voor landschap volgende generaties zullen erven.

Op dit moment wordt het nieuws gedomineerd door verhalen over staatsschulden, nieuwe computerprogramma’s en opstanden in het Midden-Oosten. Maar in de verre toekomst kijken historici misschien wel op onze tijd terug zoals wij terug beginnen te kijken op de opkomst van het moderne Westen: als een zoveelste hoofdstuk in het voortgaande geweld van de Columbiaanse Uitwisseling.

Charles C. Mann is Amerikaans journalist en schrijver en auteur van het boek 1493: Hoe de wereld zich ontwikkelde na de ontdekking van Amerika dat op 18 oktober in vertaling verschijnt bij Nieuw Amsterdam. Dit is een essay op basis van dit boek. Mann is op 18 oktober te gast bij het John Adams Institute in Amsterdam en op 19 oktober bij een Studium Generale aan de Universiteit Leiden. Vertaling: Bart Voorzanger. © Wall Street Journal