Brood op de plank voor zieke zzp'er

Zzp’ers en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen: het is nog altijd geen gelukkig huwelijk. Het Broodfonds kan een mooi alternatief zijn: eenvoudig, betaalbaar en solidair.

Laura Prinssen (40) uit Nijmegen had het in 2005 wel gezien bij het offsetbedrijf waar ze werkte. Ze had dan wel een veilige vaste baan maar voelde zich gevangen in een cultuur die niet bij haar paste. „Ik denk al snel: dit kan ik zelf ook, maar dan beter”, zegt ze. „Dan kun je beter eigen baas zijn.” En dus startte ze als gepassioneerd bergklimmer haar eigen onderneming onder de naam Klimbeest producties. Ze geeft nu veiligheidstrainingen voor windmolenmonteurs en werkt in de nok van tenten en theaters als evenemententechnicus. Hard werken maar ook vrij werken, zegt Laura.

Het klinkt als een freelance-idylle: je eigen droom inkoppen en kiezen voor vrijheid. Tot iemand je stoere zelfstandige feestje bederft door ongemakkelijke vragen te stellen: hoe zit het dan straks met je pensioen? Of erger: wat als je morgen arbeidsongeschikt raakt of ziek wordt? Tja, moet ik nog over nadenken, misschien volgend jaar ofzo, klinkt het dan. Als je kiest voor de vrijheid van het zelfstandig ondernemerschap dan betaal je met onzekerheid.

Wie de moed heeft om zich in het woud van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (AOV’s) te begeven, moet stevige bergschoenen aantrekken en over een dikke portemonnee beschikken. Ze zijn niet alleen ontzettend duur voor startende ondernemers, ze zijn – ook volgens een recent rapport van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) – onnodig complex met veel uitzonderingen en moeilijk te doorgronden kleine lettertjes. Van de 670.000 zzp’ers (8,6 procent van de beroepsbevolking) is volgens onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam dan ook tweederde níét verzekerd voor arbeidsongeschiktheid.

Prinssen oriënteerde zich wel op een AOV, maar schrok enorm van de kosten. „Voor bijna driehonderd euro per maand kon ik me verzekeren tot mijn 55ste. En toen had ik die verzekeringsjongen nog niet eens verteld dat ik als kliminstructeur werk”, zegt ze. Zoveel geld voor iets waarvan de kans klein is dat je het ooit nodig zult hebben, daar had ze geen trek in. Toen ze haar zorgen deelde met haar masseuse vroeg ze: „Zal ik je anders voordragen bij mijn Broodfonds?” „Je wat?”

„Een Broodfonds zorgt letterlijk voor brood op de plank als je als zzp’er even niet kunt werken”, legt André Jonkers uit. Hij is samen met Biba Schoenmaker en Haiko Liefman oprichter van De BroodfondsMakers, een bedrijf dat het idee van het Broodfonds verder wil verspreiden. Het idee ontstond acht jaar geleden tijdens een brainstorm van vereniging Solidair, een samenwerkingsverband van bedrijven en non-profitorganisaties, dat strijdt voor een solidaire economie. „Binnen mijn eigen bedrijf waren we al een potje aan het maken voor het geval iemand ziek zou worden, maar dat schoot niet erg op. Ik dacht: wat als een van ons een burn-out krijgt?”

Het werd een eenvoudig maar slim concept. Een groep van twintig tot maximaal vijftig zzp’ers stort maandelijks een bedrag op een eigen spaarrekening en doet daarnaast een eenmalige inleg van 350 euro. Als een van de deelnemers ziek is, krijgt hij of zij maandelijks een schenking van de andere Broodfondsers.

Het slimme van het concept zit hem in het principe van schenken en de gesplitste Broodfondsrekeningen. Over schenkingen betaal je schenkbelasting maar elke burger mag jaarlijks 2.000 euro belastingvrij schenken aan niet-familie. Door de rekeningen persoonlijk te houden, blijft iedereen onder die grens. De zieke zzp’er krijgt dus niet één grote uitkering uit het fonds maar ontvangt veertig kleine schenkingen. Een bevoegde administrateur haalt die bedragen van de spaarrekeningen (bij de Triodos Bank) en maakt die bedragen over aan de zieke collega uit de groep.

Deelnemers kiezen vooraf de hoogte van hun schenking. Wil je bij ziekte bijvoorbeeld 1.500 euro ontvangen, dan stort je maandelijks een bedrag van 66 euro op je eigen Broodfondsrekening. Je kunt ook voor een lager of hoger bedrag kiezen, afhankelijk van de omzet van je bedrijf en je eigen behoeften. Het Broodfonds Solidair dat nu zes jaar bestaat, werkt met drie tarieven: 750, 1.000 en 1.500 euro. Dat zijn de bedragen die je tot een maximum van twee jaar kunt ontvangen bij ziekte. „De inleg noemen we geen premie, want het is gewoon spaargeld dat van jou is en blijft”, zegt Biba Schoenmaker. „Als je ooit uit het Broodfonds stapt, omdat je bijvoorbeeld een vaste baan krijgt, neem je het saldo van je spaarrekening gewoon weer mee.”

Laura Prinssen heeft er vorig jaar voor het eerst, na een lichte aarzeling, een beroep op gedaan. Toen ze al een paar weken met rugklachten thuis zat, zei een vriendin: ‘Maar je hebt toch je Broodfonds?’ „Dat zit niet in je systeem als zelfstandige”, zegt ze lachend. „Je werkt het liefst gewoon door tot het echt niet meer kan.” Het was een emotioneel moment toen ze voor het eerst op haar bankafschrift veertig kleine schenkingen ontving. „Niemand stelt vragen, niemand eist een doktersverklaring of komt langs om te controleren of je wel echt ziek bent. Je voelt je echt gedragen en dat is een fantastisch gevoel. Maar het sterkt ook je verantwoordelijkheidsgevoel: ik wilde zo snel mogelijk weer aan de slag.”

De kurk waarop het Broodfonds drijft heet vertrouwen. „Daarom houden we de kring klein – maximaal vijftig deelnemers die elkaar kennen – en maken we zo min mogelijk regels”, zegt André Jonkers. Kort gezegd zijn er drie: je wordt voorgedragen door een van de leden, je draait minstens een jaar als zelfstandige en je haalt je hoofdinkomen uit je bedrijf. „Dan weten we genoeg. Als je aanvullende eisen gaat stellen aan de werksoort of de levensstijl, dan is het eind zoek. Wij willen de fout van de grote verzekeraars niet maken met hun vaak ellendige bureaucratie die gebaseerd is op wantrouwen.”

Dolf Kamermans, directeur inkomensverzekeringen van Achmea – waar ongeveer de helft van de Nederlandse huishoudens een verzekering heeft – noemt het Broodfonds een ‘charmante en sympathieke formule’ die helemaal aansluit bij het basisprincipe van verzekeren. „Achmea is in 1811 vanuit die solidaire gedachte ontstaan. Met 39 boeren in het Friese Achlum die elkaars risico op een brand in de boerderij afdekten uit een gezamenlijk potje. En Achmea koestert die coöperatieve identiteit nog steeds. Maar naarmate de groep groeit, is het moeilijker die oude solidariteitsgedachte over het voetlicht te brengen.”

Het idee achter het Broodfonds illustreert volgens Kamermans dat er behoefte is aan kleinschalige, overzichtelijke manieren om risico’s met elkaar te delen. Maar hij heeft niet het gevoel dat Achmea de slag om de zzp’er mist. „Wij luisteren heel goed naar de markt, maar er zijn grenzen aan wat we kunnen bieden. Grote verzekeraars als Achmea moeten aan hoge veiligheidseisen voldoen. Strenge toezichthouders zien erop toe dat er voldoende geld in de pot zit. Vergeet niet dat we soms dertig jaar lang betalen voor een arbeidsongeschikte. Daar is veel geld mee gemoeid. Het Broodfonds is, heel legitiem, in een gat in de markt gesprongen dat wij niet kunnen vullen. Tegen beperkte kosten krijg je ook een beperkte dekking en minder zekerheid.”

„Maar het werkt!” zegt Biba Schoenmaker enthousiast. „We hebben na zes jaar ons bestaansrecht bewezen. Onze buffer is nu zo groot dat we zeven mensen uit onze groep twee jaar lang van schenkingen kunnen voorzien zonder failliet te gaan. We zitten op een ziekteverzuim van 2,5 procent, dat is 2 procent onder het landelijke gemiddelde van mensen in loondienst.”

En het idee is niet onopgemerkt gebleven. Afgelopen zomer is er een nieuw zelfstandig Broodfonds – Tolentijn – van start gegaan en tien groepen zijn zich aan het organiseren. Waaronder een groep binnenvaartschippers. Schoenmaker en Jonkers hebben inmiddels het bedrijf de BroodfondsMakers opgericht om groepen te kunnen begeleiden tot zelfstandige Broodfondsen. „We hebben ambities maar zijn niet eendimensionaal gefocust op groei en winst”, zegt Schoenmaker. „Misschien klinkt dat vreemd vanuit een economisch systeem dat succes alleen in groei uitdrukt. Ik vind het veel interessanter om te zien wat de betekenis ervan is voor deelnemers. Het blijkt gewoon een sociaal en duurzaam idee te zijn.”