Beter een rouwdienst alvorens dood te gaan

Iedereen wil ‘een mooie leeftijd’ bereiken. Maar het sterven is niet te bezweren met uitspraken als ‘bij mij geen slangen aan het lijf’, of ‘trek de stekker er dan maar uit’. De gewetensstrijd en de onthechting van nabestaanden heeft een evolutionaire functie, schrijft Han Blok.

Dankzij de medische wetenschap sterven we steeds vaker pas op een ‘mooie leeftijd’. Het vooruitzicht om nog langer te moeten leven kan echter ook in een iets eerdere fase om psychische redenen of wegens ondraaglijk lijden zeer onaangenaam zijn. Afgezien daarvan willen steeds meer mensen liever waardig sterven dan onwaardig oud worden. Toch ervaren we daar een drempel. Hoe ver mag je gaan door een waardig sterfbed te verbieden en een lijdensweg te verlengen?

In het licht van het ‘gemak’ waarmee in veel situaties over leven en dood wordt beslist, is de worsteling met het geweten en het verzet tegen de dood tijdens het sterfbed opmerkelijk. Het lijkt plausibel om die worsteling toe te schrijven aan ons overbemeten rationele brein, ons ethische besef met onderscheidend vermogen tussen goed en kwaad en daarmee angst voor schuld. Toch is deze gewetensstrijd geheel verklaarbaar met de evolutiepsychologie.

Heel vaak heeft de stervende het leven al geruime tijd te danken aan medicijnen of andere ingrepen. Eigenlijk is er dus helemaal geen sprake van passieve berusting zolang we niet actief besluiten met die behandeling te stoppen. Het is er niet makkelijker op geworden.

Veel mensen stellen voor zichzelf eenvoudige, praktische regels op. ‘Bij mij geen slangen aan het lijf’ of ‘Als mij zoiets overkomt, mag je de stekker eruit trekken’. Dat lijkt duidelijker dan het is en helpt niets bij een situatie die geleidelijk aan verslechtert. Wat is er trouwens actief of passief aan het eruit trekken of het erin houden van een stekker? Wat is het verschil tussen het stoppen van een beademingsapparaat en het stoppen met medicijnen? Wat is het verschil tussen een terminale pil in het nachtkastje, opgelost in een beker water of via een infuus? Waarom zouden we iemand die weigert te eten wel een infuus met glucose mogen geven? Zijn dit eigenlijk wel nuances waartussen ethisch gezien een fundamenteel verschil zit? Of betreft het slechts smoesjes zodat de dader geen dader meer is? Zoeken we slechts een ontsnapping aan het gebod ‘Gij zult niet doden’?

Een andere reden voor tweestrijd is de vereenzelviging met de stervende. Door deze empathie raakt het sterven in strijd met de overlevingsdrang van de nabestaanden. Vanuit diezelfde empathie kan echter ook het medelijden de overhand krijgen en voelt men zich schuldig aan een lijdensweg. Empathie zorgt vaak voor een dubbel gevoel. Gelovigen roepen de hulp van God en priesters in om bevestigd te krijgen dat ze geen beslissing mogen nemen. Is het oprechte nederigheid of gebeurt dat omdat men te laf is om zelf te beslissen? Naarmate het absolutisme van de religie verder afbrokkelt willen we eigenlijk iets anders om ons achter te verschuilen. Omdat empathie stopt als de stervende geen pijn lijdt of buiten bewustzijn is, kunnen we het probleem ontwijken met een flinke, net niet dodelijke dosis morfine. Dat is tegenwoordig de alom geaccepteerde vorm van wegkijken.

De belangrijkste reden voor onze worsteling is echter onze moeizame onthechting. Dit geldt zowel voor de stervende als voor de nabestaanden. Wij zijn van nature sociale wezens met zeer sterke onderlinge banden vanwege verwantschap of innige relaties. Naarmate de hechting sterker is, verloopt ook de onthechting problematischer. Onthechting is te vergelijken met het afkicken van verslavingen. Bij de nabestaanden worden de onthechtingsproblemen vaak nog erger na het overlijden. We hechten trouwens ook ongemeen sterk aan onze spullen, vertrouwde omgeving en gewoontes.

Daarmee samenhangend zijn we ook bijzonder door een typisch overspronggedrag waarbij we via terugval op stereotiepe gedragspatronen ondersteund door rationele gedachten, beeldende metaforen en uitgebreide rituelen onze heftige emoties bij de onthechting proberen te verdringen. De rituelen zijn er over het algemeen op gericht om van het overlijden een afscheid voor een verre reis te maken. De combinatie van verzamelen en zorg tijdens onze evolutie bracht regelmatig scheiden en herenigen met zich mee, waardoor tal van stereotiepe afscheidsrituelen ontstonden. Door lichamelijk contact worden de banden bevestigd en men probeert de aandacht te concentreren op de terugkeer. Geliefden nemen afscheid door zoenen waarbij de intensiteit afhangt van de reisafstand. Anderen geven een handdruk of een omhelzing. Reizigers worden vaak voorzien van voedsel en andere nuttige dingen.

Het afscheid van de dode is vaak geritualiseerd tot een laatste blik op het gelaat of een aanraking van de kist. De oudste aanwijzingen voor het begraven van de doden, waarbij voedsel en gebruiksvoorwerpen voor de ‘reis’ werden meegegeven, zijn al minstens 100.000 jaar oud.

De metaforen die het overlijden tot een afscheid maken, zijn te beschouwen als een verzachtende verdraaiing van de werkelijkheid. Het levenseinde wordt ontkend door een hiernamaals of door het in herinnering blijven. Soms wordt zelfs het hele verschil tussen leven en dood ontkend, door alles als één groot doorlopend geheel te zien. Die continuïteit wordt gesymboliseerd door de metafoor van de reis, de overdracht van bezittingen aan de volgende generatie of door reïncarnatie.

Door empathie en onthechting ontstaan sterke emoties die we kunnen samenvatten onder verdriet. Dat speelt geen rol als het gaat om de dood van onbekenden die ver weg zijn of bij beschouwingen over veiligheidsrisico’s of maatschappelijke kosten voor zorg. Dat verklaart de paradox tussen de wens om koste wat kost een individueel leven te behouden en het ‘gemak’ waarmee we op andere gebieden hoge sterftecijfers accepteren.

Het verwerken van verdriet gebeurt van nature door rouw en heeft behalve oeroude rituele vormen, vooral tijd nodig. Dit geldt zowel voor de nabestaanden als voor de stervende. Voor deze laatste zou een uitgebreide rouw inclusief een mooie rouwdienst vóór de dood eigenlijk beter zijn. Om tal van redenen schenken we echter te weinig aandacht aan het verdriet gedurende het sterven of doen we het verkeerd, waardoor de verwerking hapert.

Bij een onverwacht sterfgeval of in het geval van vermissing is dat onoverkomelijk evenals bij een coma of ernstige dementie. Het proces stagneert echter ook zolang er nog maar een sprankje hoop is. Bijvoorbeeld doordat het dode lichaam van een vermiste nog niet gevonden of geïdentificeerd is, maar vooral doordat de medische situatie nog enige hoop biedt. Daardoor blijft steeds vaker de dood zelfs aan het sterfbed onbespreekbaar. Zolang we geen afscheid hebben genomen, willen we onze dierbaren in leven houden, zoals we onze geliefden, terwijl de trein al rijdt, nog even vasthouden om nog een laatste kus te geven.

Bestaat er een universele ethische gedragscode? Moeten we heil verwachten van een briljant wetenschappelijk essay of van een commissie wijzen? Waarschijnlijk niet. Het zou arrogant zijn om te denken dat we volgens één code voor alles en iedereen zouden kunnen beslissen.

Dan toch maar aan God of de natuur overlaten? (Waarvan Spinoza al omstreeks 1650 schreef dat dit eigenlijk hetzelfde is.) Wellicht doen we er beter aan de natuur op zijn beloop te laten bij de natuurlijke verwerking. Laat artsen de kansen op herstel inschatten, maar geen valse hoop bieden. Laat pastoor of dominee het proces begeleiden met metaforen over reizen naar het hiernamaals. Laat de betrokkenen het met elkaar in gepaste intimiteit en vol emotie beleven en er met elkaar over praten zonder betweters. Dat kan soms nog beter zonder woorden door middel van de oeroude lichaamstaal. Een stervende voelt altijd nog meer van een liefdevolle handaanraking dan een dode. Laat ieder dit proces vooral helemaal doormaken en er niet voor weglopen. De dood hoort bij het leven. De beslissing om het proces te verlengen als men er nog niet aan toe is of te bekorten als men er helemaal klaar mee is, hoort binnen de intimiteit van de relatie. Die hoeft niet, moet niet, mag niet en kan niet door een deskundige, gezagsdrager, wet of ethische code vervangen worden. Dat zou een inbreuk zijn op onze privacy. Daarmee zouden we te ver gaan.

    • Han Blok