'Arabische lente' kost al 55 miljard dollar

De uitkomst van de Arabische opstanden kan negatief zijn als er geen financiële hulp wordt geboden. Maar die is nog nauwelijks losgekomen.

Radical Islam followers demonstrate after Friday prayer in Tunis, Friday, Oct. 14, 2011. Tunisia overthrew its long ruling leader President Zine El Abidine Ben Ali in January after a month-long popular uprising that inspired similar movements across the region. Nine months filled with new demonstrations, unrest and uncertainty have culminated in the beginning of the campaign for elections on Oct. 23. (AP Photo/Hassene Dridi) AP

Egypte staat op de rand van een bankroet, zo zei de Egyptische minister van Mankracht en Immigratie, Ahmed al-Borai, vorige week op een symposium in Alexandrië. „Als we de situatie niet veranderen, gaat Egypte kapot.”

Armoede, onderontwikkeling en werkloosheid waren belangrijke drijfveren van de opstanden in de Arabische wereld die in december in Tunesië begonnen. Maar de aanhoudende protesten en stakingen, ook na de val van de leiders van Tunesië en Egypte, houden investeerders en toeristen weg en ondermijnen de economieën nog verder, met alle gevaren van dien.

De onafhankelijke consultancygroep Geopolicity heeft nu berekend dat de opstanden de zes landen die er het meest door zijn getroffen, inmiddels in totaal 55 miljard dollar (bijna 40 miljard euro) hebben gekost. Het gaat om Tunesië, Egypte, Libië, Syrië, Bahrein en Jemen. Geopolicity, dat instituties en regeringen adviseert, met name in post-conflictsituaties, baseert zich op gegevens van het Internationaal Monetair Fonds.

In een gisteren uitgekomen rapport waarschuwen de consultants dat de uitkomst van de ‘Arabische lente’ negatief kan zijn als er geen regio-breed hulpprogramma wordt opgezet. Volgens hen moet elke „Arabische renaissance” gebeuren onder leiding van de Arabische Liga en de olierijke Samenwerkingsraad van de Golf, maar met internationale financiële steun. Zij wijzen erop dat de internationale hulp tot dusverre beneden de verwachtingen is gebleven. De G8-top in Deauville in mei beloofde Egypte en Tunesië 20 miljard dollar steun, maar die is tot dusverre grotendeels uitgebleven.

De 55 miljard dollar schade bestaat hoofdzakelijk uit productiviteitsverlies en verlies aan publieke inkomsten, en is nog exclusief de kosten aan mensenlevens en schade aan infrastructuur. De schade in Jemen is getalsmatig het geringst – bijna 1 miljard dollar – maar komt hard aan omdat Jemen er al slecht aan toe was, met een rebellie in het noorden, een separatistische beweging in het zuiden en een kleine en scherp teruglopende olieproductie. Volgens het rapport heeft de opstand die hier nog bovenop kwam (en nog aan de gang is), het land tot dusverre 77 procent van de publieke inkomsten gekost.

Maar Libië, Egypte en Syrië hebben tot dusverre de hoogste prijs betaald, met respectievelijk 14,4 miljard, 9,79 miljard en 27,3 miljard dollar schade.

Libië als belangrijke olieproducent heeft veel onmiddellijke schade geleden doordat de oorlog de olieproductie heeft stilgelegd. Maar in theorie kunnen de problemen hier relatief snel worden opgelost als de olieproductie wordt hervat. Aan de andere kant waarschuwt Geopolicity dat de situatie in Libië hoogst onzeker blijft, omdat nog helemaal niet duidelijk is of de nieuwe machthebbers een machtsstrijd tegen andere gegadigden wel gaan winnen.

Egypte en Tunesië missen de uitweg van olie-inkomsten. In Syrië is de opstand nog in volle gang en is onduidelijk of de oppositie tegen het regime van president Bashar al-Assad uiteindelijk de overhand zal krijgen .

Revoluties kunnen makkelijk in hun tegendeel omslaan, schrijven de opstellers van het rapport. Zij menen dat de Arabische wereld nu op de tweesprong is aangeland: terug naar de oude situatie of democratische hervorming.