Voedselzekerheid is snel uit balans

Het tweede klimaatdebat van NRC Handelsblad, maandag in de Rode Hoed in Amsterdam, ging toevallig verder waar het eerste was geëindigd. Bij de overbevolking. Martin Kropff, rector magnificus van de Wageningen Universiteit, nam de explosieve groei van de wereldbevolking als uitgangspunt voor zijn betoog over voedselzekerheid.

Zijn stelling was dat er voor het voeden van zoveel mensen nieuwe technieken nodig zijn om de productie te verhogen. In rijke landen moet bijvoorbeeld gezocht worden naar de mogelijkheid om andere gewassen, zoals algen en grassen, in te zetten voor de voedselproductie. In ontwikkelingslanden moet voorlopig vooral de effectiviteit van de bestaande landbouw worden verbeterd.

Uit de lezing van Martin KropffUit de lezing van Martin Kropff

Kropff noemde de bedreigingen: behalve bevolkingsgroei, ook klimaatverandering en de ‘biobased’ economie, waarin fossiele brandstoffen worden vervangen door energie opgewekt uit planten. Die biobased economie, een concurrent voor de landbouw, is indirect weer een politiek gevolg van de strijd tegen klimaatverandering.

Bij elkaar heeft dat de druk op de voedselproductie zodanig vergroot, dat het systeem is fragiel geworden. Kleine schommelingen kunnen daardoor grote maatschappelijke gevolgen hebben, zoals in 2008 toen de voedselprijzen ineens explosief stegen. Dat was overigens vooral het gevolg van de reactie van de markt: sommige landen legden hun export aan banden, speculanten dreven de prijzen op en binnen enkele maanden sloeg de vlam in de pan.

Die vlammen mogen dan het gevolg van een slecht functionerend marktmechanisme, de vonk kan heel goed worden veroorzaakt door klimaatverandering: één mislukte oogst is voldoende om het systeem ernstig te ontregelen.

In de reacties op dit blog wordt veel gedebatteerd over temperatuurstijgingen, toenemende concentratie van kooldioxide en zeespiegelstijging. Maar voor de voedselvoorziening (en daar niet alleen) heeft een ander gevolg van de klimaatverandering voorlopig veel grotere gevolgen: dat boeren minder goed kunnen voorspellen wat ze te wachten staat. Ze worden soms geconfronteerd met langere periodes van droogte, soms met zwaardere regenval, in ieder geval met grotere onzekerheid.

In Wageningen wordt gezocht naar mogelijkheden om de landbouw beter bestand te maken tegen deze schommelingen. Bijvoorbeeld door planten te ontwikkelen die tegen droogte kunnen of tegen verzilting.

Maar dat leidt weer tot andere risico’s. Wetenschappelijke: Wat zijn de gevolgen voor de volksgezondheid? Dreigt een versmalling van de soortenrijkdom, waardoor bijvoorbeeld het gevaar ontstaat dat plantenziektes gemakkelijker verspreid worden?

Maar ook maatschappelijke: Kunnen kleine boeren in Afrika of Azië die veredelde planten wel betalen? Zo niet, wie betaalt ze dan voor hen?

Kleine boeren was een thema dat ook bij een andere spreker, Jan Kees Vis, aan de orde kwam. Hij is bij voedingsconcern Unilever verantwoordelijk voor de overstap naar duurzame grondstoffen. Daarnaast is hij voorzitter van de RSPO, een organisatie voor duurzame palmolie (de belangrijkste grondstof bij Unilever).

Vis liet zien dat de jaarlijks opbrengst van palmolieplantages van kleine boeren zo’n 1 tot 2 ton per hectare bedraagt, terwijl 4 ton makkelijk haalbaar is – en in de toekomst zelfs ongeveer 10 ton. Maar volgens Vis is het heel moeilijk om kleine boeren zo ver te krijgen dat ze hun productiemethode aanpassen.

Het was maar een van de vele dilemma’s die in het debat aan de orde kwamen. Vanuit de zaal werd de vraag gesteld of deze twee sprekers hun aandacht niet te veel richtten op de productie. Hoe zit het eigenlijk met de consumptie? Sommige voedingspatronen – bijvoorbeeld vlees eten – zijn voor het rendement van het bodemgebruik heel slecht. Moet je het onderzoek daarnaar niet gewoon staken, was de vraag. Beide heren gingen een antwoord uit de weg.

Op 1 november gaat het klimaatdebat over water.