Verrader, duivel en vriend van Israël

Zondag krijgt Boualem Sansal de Duitse Vredesprijs.

Thuis wordt hij verguisd, zijn boeken zijn verboden. Ondanks alles blijft hij schrijven – in Algerije.

Des femmes du village du Bouarfa à la périphérie de Blida (50 km au sud d'Alger) attendent le 25 mars 2001 le passage du convoi funéraire amenant des corps de douze personnes qui ont été massacrées dans la nuit de dimanche à lundi, le 24 au 25 mars, par un groupe islamiste armé. Cette attaque s'est produite dans un quartier pauvre situé à la sortie sud de Blida vers la montagne de Chréa connue pour abriter les maquis de Tala Acha du Groupe Islamique Armé (GIA) d'Antar Zouabri. Depuis plusieurs semaines, les groupes armés ont accentué leurs tueries dans l'Algérois. AFP

„In het begin van de jaren 80 reisde ik als jonge ingenieur door het land en zag ik ineens een huis van baksteen, dat zag je verder nergens. Men zei me dat dat het huis van ‘de Duitser’ was, een chemisch ingenieur en oud-SS’er, die in concentratiekampen had gewerkt en na WO II was gevlucht. Via Egypte en Marokko was hij in het Algerijnse leger terechtgekomen. Uiteindelijk trok hij zich terug op het Algerijnse platteland, trouwde de dochter van de stamoudste, nam de lokale leiding over en maakte van het dorp een klein Duitsland.”

Dat is precies de achtergrond van Onvoltooide geschiedenis, de onlangs vertaalde roman van de Algerijnse auteur Boualem Sansal, aan wie zondag de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel wordt uitgereikt. Sansal (61), in Nederland op uitnodiging van de Universiteit van Amsterdam, is klein en krom, heeft priemende ogen. Hij is een en al pessimisme, maar straalt een soevereine energie uit.

Zijn roman vertelt hoe de twee zonen van ‘deze Duitser’ ontdekken wie hun vader werkelijk is geweest en wat voor misdaden hij heeft gepleegd. Beiden zijn ze in Algerije geboren en in Frankrijk, bij familie, opgegroeid. Als de oudste zoon hoort dat zijn ouders bij een islamistische terreuraanslag in hun dorp zijn omgekomen, gaat hij terug en brengt een bezoek aan hun graf. Het is het startpunt van een zoektocht naar het leven van zijn vader, diens nazisympathie, zijn actieve rol in de kampen en zijn vlucht naar het buitenland.

„De Tweede Wereldoorlog was een racistische oorlog”, zegt Sansal, „waarin misdaden tegen de menselijkheid werden gepleegd en een bepaald ras bijna werd uitgeroeid. In Algerije werden begin jaren negentig 200.000 mensen gedood door de islamisten, alleen omdat het geen islamisten waren. Hoe dat te vertellen, dat is de belangrijkste vraag. Zijn we verantwoordelijk voor wat onze ouders hebben gedaan? Zijn we schuldig door hun daden? Dat is de vraag waarmee de twee broers worden geconfronteerd. Wij hebben een devoir de connaissance et de mémoire, de plicht het verleden te kennen en ons dat verleden te herinneren. Maar verantwoordelijk?”

De jongste broer leest het dagboek van zijn broer na diens zelfmoord, en leest met ontzetting, maar berooft zich niet van het leven. Integendeel. Hij mobiliseert zijn vrienden in de banlieue, die net als hij nog nooit van de Holocaust hebben gehoord en vertelt hun zijn verhaal. Zo stelt Sansal een taboe aan de orde.

Sansal trekt een parallel tussen het nazisme en het islamisme: eenpartijenstelsel, de macht aan de militair, staatspropaganda, alomtegenwoordigheid van de staatspolitie, geschiedvervalsing en xenofobie, het is een en dezelfde methode. De jongste broer strijdt tegen de actuele vorm van gewelddadig fundamentalisme, het radicale islamisme en de jihad die in de troosteloze betonnen woonwijken buiten Parijs voet aan de grond beginnen te krijgen. Het maakt hem tot een buitenstaander, een roepende in de woestijn.

Op het gebied van buitenstaanderschap en van roepen in de woestijn is Sansal een ervaringsdeskundige. Als een van de bekendste Algerijnse schrijvers is hij ongeveer de enige die het land niet heeft verlaten. Maar vanaf zijn debuut in 1999 hebben zijn romans en pamfletten een uitgesproken kritische toon. „Sinds 2003 zijn mijn boeken verboden en ben ik door de minister van Cultuur tot persona non grata verklaard. Ik heb haar toen geschreven om te vragen wat ze met die uitdrukking bedoelde. Moest ik het land verlaten? Ik heb natuurlijk nooit antwoord gekregen.

„In Algerije word ik als een hond behandeld. Wat kan ik eraan doen? Die mensen hebben alle macht, ze kunnen me zo vermoorden, ze hebben er al duizenden vermoord. Iedere dag wil ik weg, wil ik in vrede leven. Maar iedere dag opnieuw zeg ik tegen mezelf dat niet ík weg moet, maar zíj. Ik ben een legitiem burger van het land, maar op grond waarvan zijn zij president, of minister?

„De propagandamachine van de regering heeft van mij een vreselijk beeld geschapen. Voor de meeste Algerijnen ben ik de duivel, een verrader van de natie, een bandiet, een vriend van Israël. Mijn vrouw wil het land verlaten, ze is moe, ze wil weg. Dit is geen leven, zegt ze. We kunnen nooit ons huis uit, gaan nooit naar een restaurant of café. Een vrouw komt een café niet binnen, verboden door de islamisten.”

Hoewel de buitenwereld denkt dat de situatie in Algerije de afgelopen tijd aanzienlijk is verbeterd, denkt Sansal daar anders over. De terroristische aanslagen zijn minder frequent geworden, dat is waar. Maar de regering is oppermachtig als het gaat om de controle van informatie. „Er is een beroemd geval van berichtgeving over de terroristische aanslag op een dorpje, in 1997: ‘Driehonderd mensen de keel afgesneden’, schreven de kranten. Pas zes maanden geleden gaf de regering toe dat het er 1.230 waren. Een krant die informatie publiceert die niet van het ministerie van Defensie komt is ten dode opgeschreven.”

Als voorbeeld verwijst Sansal naar het lot van journalist en hoofdredacteur Mohamed Benchikou, die na het verschijnen van zijn kritische boek Bouteflika, l’imposture algérienne in de gevangenis verdween. Zijn krant werd opgedoekt.

Geen krant die een stuk van Sansal durft te plaatsen, geen radio- of tv-station dat hem aan het woord wil laten. Hij zou in eigen land graag aan het debat deelnemen, zijn mening geven, zoals hij dat elders doet. „Weet u, alle advertenties die door bedrijven worden aangeleverd, worden door één staatsinstituut gedistribueerd. Stel dat dagblad El Watan een stuk van mij zou publiceren, dan wordt die krant er meteen van beschuldigd een aanval te doen op de waarden van de natie en raakt hij zijn advertenties kwijt. Drie dagen geen advertentie-inkomsten en de krant is failliet.”

Het recente boek van Sansal werd overigens wel besproken door El Watan. Onder de kop ‘Moedig of geestelijk gestoord?’ signaleert de criticus het succes van het boek in het buitenland en vraagt hij zich af of de auteur niet volledig paranoïde is. Weet Sansal wel dat er chronologisch een kloof gaapt tussen de tijd van het nazisme in de jaren dertig en het islamisme in Algerije in de jaren negentig? Hoe durft hij zo’n apocalyptisch beeld te schetsen van het land? Hij is zeker getraumatiseerd omdat hij al zo lang in doodsangst leeft.

Sansal heeft op dit alles maar één antwoord: schrijven, dwars tegen alles en iedereen in, schrijven tegen het vergeten. „Ik moet dit gewoon doen. Je weet nooit wat er morgen gebeurt.”

Boualem Sansal: Onvoltooide geschiedenis Vert. Jan Versteeg, De Geus, 256 blz, € 19,90.