Verloren Palestijnse dochter wacht een onthaal als heldin

Juichend maakt de familie van de Palestijnse Sana’a zich op voor haar terugkeer na tien jaar gevangenschap. ‘Israël vindt haar een terrorist, wij zeggen vrijheidsstrijder.’

Zo zit je op de bank een televisiesoap te kijken, zo dans je ululerend over straat. Het overkwam Ribhieh Shehadeh deze week, in vluchtelingenkamp Qalandia op de bezette Westelijke Jordaanoever, toen ze hoorde dat haar dochter Sana’a na tien jaar gevangenschap vrij zou komen.

Ze werd door een Israëlische rechtbank tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, omdat ze een Palestijnse zelfmoordterrorist van Ramallah naar Jeruzalem zou hebben gereden.

„Zonder controle over mezelf ging mijn tong van ululululululululululululu”, vertelt Ribhieh (63), terwijl ze een verfrommeld wc-papiertje in de hand klemt. „En ik danste, schreeuwde, zong en huilde. Mensen op straat vroegen: waarom huil je? Het was van opwinding en geluk. Het nieuws kwam als een complete verrassing.”

Dinsdagnacht stemde het Israëlische kabinet in met een deal met de Palestijnse fundamentalistische beweging Hamas. De afspraak is dat Israël 1027 Palestijnse gevangen laat gaan in ruil voor de Israëlische militair Gilad Shalit, die ruim vijf jaar door Hamas wordt vastgehouden in de Gazastrook.

Onder het akkoord vallen alle 27 Palestijnse vrouwen die Israël gevangen houdt. Ze zouden volgens onbevestigde berichten begin volgende week, vermoedelijk dinsdag, op vrije voeten komen.

Sana’a moet daar wel tussen zitten. Maar toch. De onzekerheid blijft tot het moment dat Ribhieh haar dochter ziet, vertelt ze. Er waren eerder al beloftes.

Maar nooit zulke overtuigende. Dus is moeder Ribhieh al begonnen met de voorbereidingen voor het koken van al wat Sana’a vroeger lekker vond. Couscous met kip. Wijnbladeren gevuld met rijst. Spinazie.

Vader Mohammed Shehadeh (73) was gisteren met een tros kinderen en kleinkinderen in Ramallah op pad om groot in te slaan. Zeven uur lang zijn ze onderweg geweest. En vandaag moeten ze nog eens. Mohammed heeft een boodschappenlijst gemaakt, vertelt hij trots. „Ik wil niets vergeten.”

En het mag wat kosten. Als iedere kennis komt die belde, uit Nablus, Jenin, Gaza en Jeruzalem, plus alle buren, dan staan hier straks 400 man. Dus kocht de familie honderd rollen roze wc-papier. Manshoge zakken maïskolven. En snoep. Veel snoep.

Mohammed is er kapot van. Hij gooit zijn scheve lijf bij thuiskomst meteen op een kruk. Maar hij kan niet stoppen met glimlachen. Zijn kanker vergat hij vandaag.

De jonge vrouwen van de familie Shehadeh – negen zonen en dochters, zeker dertig kleinkinderen – graaien gretig in de tassen om moeder te laten zien wat hun vader voor Sana’a heeft gekocht. Zoals: kanariegele glitteronderbroeken waarop staat ‘love you’.

Ribhieh gooit haar hoofd in de nek, kraait van de pret en grijpt naar de gouden hanger op haar borst.

Het meisje op de foto in de hanger lijkt op haar moeder. Grof gezicht. Zachte ogen. Besliste blik. Sana’a is inmiddels 35 jaar oud en tot levenslang veroordeeld. Sana’a heeft nooit bekend, vertelt haar vader trots.

Maar klopt de aanklacht?

„Israël vindt dat Sana’a een misdaad heeft begaan”, zegt Mohammed. „Maar wij vinden de bezetting een misdaad. Israël vindt haar een terrorist, wij vinden haar een vrijheidsstrijder.”

In de hal van het huis hangen foto’s van Sana’a voor een landkaart van een virtueel Palestina dat van Jordanië tot aan de Middellandse Zee reikt. Haar kleine nichtjes, die haar nooit in levende lijve zagen, vinden Sana’a mooi. Een heldin.

Was ze gewelddadig? Nee, zegt vader Mohammed, „niet echt”. Sana’a hield van het leven, zegt hij. Niet van ruzie. „Ze was een sterke vrouw. Slim.”

Maar bovenal, zegt Mohammed, was Sana’a een dochter van vluchtelingen. Hij werd als kind verjaagd uit zijn dorp, waar nu het Israëlische Modi’in ligt. Mohammed: „Sana’a heeft altijd geloofd in het verdedigen van het vaderland, tegen elke prijs. Ze praatte altijd over de bezetting.”

In de Israëlische rechtszaal weigerde Sana’a destijds op te staan, vertelt Mohammed goedkeurend. „Ze zei: ik zie hier geen gerechtigheid. Israëlische soldaten die Palestijnen doden worden nooit veroordeeld. En alles wat wij doen, zelfs het planten van een bloem, noemt Israël een terreurdaad.”

Mohammed is het met zijn dochter eens. „Iedereen is blind”, zegt hij. „Het gaat altijd over geweld van Palestijnen, maar niet over de oorzaak daarvan: de Israëlische bezetting van ons land en de dagelijkse vernederingen die wij moeten doormaken.”

Ja, zegt Ribhieh, terwijl ze haar zware gestikte jurk van haar schoenen dreigend over haar knieën richting haar bolle buik tilt. „Ik moet me elke dag uitkleden bij het checkpoint”.

„Ja, moedertje, toe, kleed je uit!”, roept Mohammed. Zijn kleinkinderen blozen. En Ribhieh giechelt als een meisje.

Vannacht zal Ribhieh weer huilen. Omdat ze haar geluk toch niet helemaal kan geloven.

    • Leonie van Nierop