Juridische kansen Tropenmuseum

Een kabinet dat subsidies wil intrekken, zoals nu bij het Tropenmuseum, moet zich aan de Algemene Wet Bestuursrecht houden. En dan in het bijzonder aan artikel 4:51 waarin een redelijke termijn wordt voorgeschreven. Althans voor instellingen die langer dan drie jaar werden gesubsidieerd. De overheid mag lange subsidierelaties niet van de ene dag op de andere afbreken.

Gebeurt dat toch, dan is er een kans dat de bestuursrechter zo’n beschikking zal vernietigen. Daarna moet de overheid die redelijke termijn alsnog bieden. De bestuursrechter zal niet de sluiting van het museum zelf ongedaan maken. Bij beslissingen over subsidieverleningen komt de overheid immers „een ruime mate van beleidsvrijheid toe”. De vaste lijn in de rechtspraak is terughoudendheid van de rechter bij toetsing van de inhoud van de beslissing. Het citaat is van de Alkmaarse bestuursrechter toen het kabinet in 2008 een subsidie weigerde aan de Stichting Nederlands instituut voor Zuidelijk Afrika.

Beslissingen over de subsidie zélf worden alleen vernietigd als „het beleid of de gevolgde gedragslijn als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd”. Ook dat kan het Koninklijk Instituut voor de Tropen, waaronder het Tropenmuseum valt, natuurlijk proberen aan te voeren voor de bestuursrechter. Maar dan komt de rechter al gauw op de stoel van de staatssecretaris terecht, wat juist niet de bedoeling is. Bij de bestuursrechter heeft het museum dan ook vooral kans op uitstel, maar alleen als er procedureregels zijn geschonden. Uit de brief van staatssecretaris Knapen blijkt dat de beslissing om de subsidie stop te zetten van 6 juli 2011 dateert. Het Tropenmuseum kreeg toen een brief waarin de subsidie per 1 januari 2012 werd ingetrokken. Tegelijk werd voor 2012 die subsidie nog éénmaal toegekend, zodat feitelijk de subsidie per 1 januari 2013 wordt gestaakt.

Vanaf juli 2011 kreeg het museum dus anderhalf jaar de tijd om naar keuze te sluiten of een doorstart te maken. Zou een termijn van anderhalf jaar in de ogen van de bestuursrechter genade vinden? Wat moet worden meegewogen bij de beoordeling van een redelijke termijn, staat precies in de wet omschreven. Activiteiten die een ‘zekere looptijd’ hebben wegen mee. Een ‘volledige intrekking’ weegt zwaarder dan een verlaging. Als de subsidie een groot aandeel heeft in de totale inkomsten, weegt dat ook zwaarder. Als er personeel moet worden ontslagen, dan tellen de opzegtermijnen mee. Evenals het opzeggen van andere verplichtingen, bijvoorbeeld jegens verhuurders. Toen het Amsterdamse stadsdeel Zeeburg de subsidieband met de welzijnsstichting Dynamo in 2009 wilde opzeggen, vond de rechter negen maanden redelijk. Maar of anderhalf jaar voor een groot en gespecialiseerd instituut als het KIT genoeg is, is nog maar de vraag.

Een formele aankondiging van de intrekking exact een half jaar van tevoren is niet ongebruikelijk. Ook de onmiddellijke verlenging met nog een jaar is niet vreemd. Daarmee wordt de instelling in staat gesteld om de gevolgen op te vangen. Vaak kiezen overheden er overigens voor om die termijn af te kopen met een zogeheten afbouwsubsidie van 150 procent.