Je denkt het te weten en dwaalt toch weer af

Lynne Tillman: Someday This Will Be Funny. Red Lemonade, 164 blz. € 15,40

Afleiding, dat is de kern van het werk van Lynne Tillman (1947), een schrijfster in de voorhoede, die in haar nieuwe verhalenbundel Someday This Will Be Funny speelt met de grenzen tussen het korte verhaal, het essay, de brief, het gedicht. Van alinea op alinea, zonder enige aan- of inleiding, drijft ze je telkens in een heel andere denktrant, een heel andere gebeurtenis. Dat doet soms geconstrueerd aan, is niet zelden ongemakkelijk, maar ook spannend en geestig.

Neem deze dialoog bij de bakker. Highschool-docent Clay denkt in ‘Recipe’ na over relaties, verleden, geweld, en koopt een brood: ‘– Zie je de zon wel eens, Clay? Je ziet zo wit als deeg. – En jij als meel. Doe mij een zuurdesembrood, en het recept. – Vergeet het maar, zei Joey de bakkerszoon. Familiegeheim, al vijf generaties. – Ik kom er wel aan. – Je bent net je moeder, zei Joey.’

Een gesprek dat in zijn beknoptheid natuurlijk is, maar dat ook vragen oproept: hoezo dat recept, wat heeft dat met die moeder te maken? Er volgt nog geen witregel of Tillman vergast ons op een herinnering aan hoe Clays moeder viool voor hem speelde als hij niet slapen kon. Joeys opmerking blijft in de lucht hangen, hij drijft verder, naar een overweging over herinneringen met de originaliteit van een mini-essay, naar een snipper poëzie.

Je denkt Tillmans recept te hebben, maar dan dwaal je af. En toch weer terug, want je leest stug door, en je ontwaart een verhaal in deze schijnbaar willekeurige opeenvolging van alinea’s en strofen. Dat wil niet zeggen dat er echt een plot is, of een slot waar ze naar toewerkt. Tillman beloont je met een inzicht: dit is een facsimile van een complexe werkelijkheid, met een onafheid die aan de echte wereld doet denken.

Tegelijk laat ze je in deze 21 stukken twijfelen aan wat poëzie is, wat proza vermag, waar essayistisch denken stopt. Meestal doet Tillman dat hoogstens met een beetje taalspel en zelfonderzoek (‘Ik hoop geen kwaad te doen, maar ik doe kwaad, waarvan ik misschien niet weet, wat een dilemma is dat niet zal veranderen...’).

Of met een doorgedraafde droomgedachte, een romantische fantasie over een minnaar, die zich ontwikkelt terwijl je over hem vertelt aan de therapeut die je wil maar niet kan krijgen.

Wat is verzonnen? Wat niet? Tillman laat je bewust wegdrijven, twijfelen, om over de rand van een simpel plotje heen te komen.

Soms gaat ze daarin te ver, en vraagt ze te veel van haar lezers. Een hartjes knippende vrouw lijkt de hoofdpersoon van ‘Love Sentence’, een fragmentarische opeenvolging van stukjes essay (wie is er onderwerp, wie lijdend voorwerp in ‘I love you’?), liefdesbrieven, geciteerde aforismen over liefde, liefdesverklaringen.

Maar er gebeurt niets, het komt niet verder. Is dit nog een verhaal te noemen?

De afleiding is absoluut, je bent over het randje, en je kijkt op een afstand naar de oplossende provinciegrenzen van literatuur.