Ik wilde water, maar ik kreeg zand

Na zijn bestseller De Engelenmaker nam Stefan Brijs ruim de tijd voor een epos over de Eerste Wereldoorlog.

Stefan Brijs: Post voor mevrouw Bromley. Atlas, 512 blz. € 24,95 (geb.) en € 19,95

Wat de Tweede Wereldoorlog was voor de Nederlandse literatuur – een favoriet onderwerp maar vooral een proefopstelling voor het testen van moed en lafheid – was de Eerste de afgelopen jaren voor de Vlaamse. Na Tom Lanoye (Niemands land, Overkant), Johanna Spaey (De dood van een soldaat) en Erwin Mortier (Godenslaap), waagt nu Stefan Brijs zich aan een literaire verwerking van de loopgraven en wat daaraan voorafging. Zijn Post voor mevrouw Bromley is bovendien de derde volumineuze roman binnen een jaar die Groot-Brittannië tijdens de Great War schildert; de gemiddelde lezer is nog bezig in Ken Folletts Fall of Giants of het onlangs vertaalde The Stranger’s Child van Alan Hollinghurst.

Er was wat om naar uit te zien. Met De engelenmaker bewees Stefan Brijs (Genk, 1969) zich zes jaar geleden als een knap verteller die met een mengeling van Blauwbaard- en wolvenkindmotieven de gothic novel nieuw leven inblies. Het verhaal van een ambitieuze geneticus in een klein grensdorp was niet alleen vlot geschreven en origineel van compositie, maar riep bovendien vragen op over de dunne lijn tussen goed en kwaad. Wat zou een schrijver als Brijs niet kunnen doen met de Grote Oorlog – zeker als hij voor zo’n epos nog ruimer de tijd nam dan voor De engelenmaker?

Ambitieus is Post voor mevrouw Bromley zeker. In vijfhonderd bladzijden maakt de lezer kennis met John Patterson, de zoon van een bibliofiele postbode in Londen die in de eerste oorlogsmaand, augustus 1914, aan een studie begint. John heeft bijna zijn hele omgeving tegen zich, want wie zich niet meldt voor het vrijwilligersleger van Lord Kitchener is een moffenvriend. Het fanatiekst is zijn ‘zoogbroer’ Martin Bromley, de zoon van de vrouw die John de borst gaf nadat zijn moeder in het kraambed was gestorven. De oorlog zorgt voor de definitieve verwijdering tussen de jongens; de 17-jarige Martin meldt zich onder een valse naam voor het front en John vindt op de universiteit een nieuwe boezemvriend, die sceptisch staat tegenover de woekerende oorlogspropaganda en de opgeklopte haat tegen alles wat Duits is.

Het eerste, in Londen gesitueerde, deel van Post voor mevrouw Bromley heeft wel wat weg van Brideshead Revisited van Evelyn Waugh, met een alles verterende universitaire vriendschap als kern en een moeizame vader-zoonrelatie die daartegen afgezet wordt. Brijs sluit aan bij de realistische Engelse romantraditie, waarvan ook Dickens (wiens naam vaak in Post voor mevrouw Bromley genoemd wordt) deel uitmaakt. Maar het verhaal komt langzaam op gang, is praktisch humorloos en blijft een beetje kabbelen, wat vooral veroorzaakt wordt doordat de personages niet interessant genoeg zijn. John is een bleke figuur (al is hij misschien door Brijs zo bedoeld), waardoor het je weinig kan schelen wat er met hem gebeurt; Martin is een vervelende rouwdouw, terwijl de intellectuele pacifist William karikaturaal aandoet. Je kunt je in beide gevallen moeilijk voorstellen wat John in hen ziet.

Daar komt bij dat Brijs stilistisch tekortschiet. Post voor mevrouw Bromley staat vol met hoog-literaire verwijzingen – naar Milton, naar Keats, naar Dickens – maar die steken des te meer af tegen de vlakke verteltrant, de af en toe sleetse beeldspraak (‘mensen zijn lemmingen’, ‘pronken als een pauw met zijn staart’) en de houterige dialogen, die niet zelden worden geaccentueerd met een quasi-Engels ‘niet?’ op het eind van een zin. ‘Literatuur moet je ráken. Alsof er een mes – tsjak! – tussen je ribben wordt geplant’, zegt William tegen John. Romantische overdrijving natuurlijk, maar het mag best een beetje prikken.

Het tweede deel van de roman, dat Johns ervaringen beschrijft nadat hij aan het Belgische front terechtkomt, heeft meer potentie dan de 270 bladzijden ervoor. Dat komt niet door de oorlogsscènes (want Brijs weet weinig nieuws toe te voegen aan de gruwel van de loopgraven), maar doordat John een interessanter personage wordt. Hij gaat namelijk steeds meer liegen: eerst om de mensen die hij liefheeft – mevrouw Bromley uit de titel bijvoorbeeld – te sparen, daarna om harde waarheden te verbloemen en uiteindelijk om zijn eigen leugens te verdoezelen. Jammer genoeg is het niet die Werdegang die de clou vormt van Post voor mevrouw Bromley, maar de oplossing van een geheim waarnaar het moeilijk is om honderden bladzijden benieuwd te blijven.

Natuurlijk is het niet alles modder wat er blinkt; Johns hopeloze pogingen om in het gevlij te komen bij het zusje van Martin zijn roerend en goed beschreven, en de scènes waarin hij door Mary tot op het bot vernederd wordt, zijn op de goede manier pijnlijk om te lezen. Johns leugenachtigheid (en ook zijn verdedigbare lafheid, waarop in de hele roman gezinspeeld wordt) had een fascinerende roman kunnen opleveren – een oorspronkelijke bijdrage aan de WO I-literatuur. Maar het lijkt erop dat Brijs zijn hoofdpersoon niet hard durfde aan te pakken. Zichzelf trouwens ook niet, want dan had hij meer in zijn verhaal gewied. ‘Ik had naar water verlangd, maar ik had zand gekregen’, zegt John wanneer hij teleurstellend nieuws van het thuisfront krijgt. De lezer van Post voor mevrouw Bromley, die had gehoopt op een waardige opvolger van De engelenmaker, had het niet beter kunnen formuleren