Ik wil ook eens iets teweegbrengen

Morgen bezetten demonstranten het Beursplein in Amsterdam.

Overwegingen van een cynicus om zich ook eens druk te gaan maken.

Ooit zal mijn dochter in mijn oor schreeuwen: „You just don’t care, mama!”

Nederlands wordt al lang niet meer gesproken, maar dat terzijde. Haar ogen waterig en haar vuisten gebald. Terwijl ze de deur dicht slaat, zal ik rustig achterover in mijn fauteuil leunen en mijn schouders ophalen. Dan zal ik Heidi & Spencer, the longest running reality show ever kijken.

Maandag nodigde mijn moeder me uit om bij haar te komen eten. Ze had een aantal oude vrienden van mijn vader uitgenodigd. Dat doet me altijd goed. De jaren 60 gieren nog door hun bloed, hun woorden zijn vurig en hun geest spits. Ze verbazen zich over deze tijd, en tegelijkertijd zijn ze geïnteresseerd.

„Waar maak jij je nu echt kwaad over?” Alle ogen richten zich op mij. Ik maak me zelden kwaad, ik demonstreer niet, ik voer geen verhitte discussies. Maar waarom eigenlijk niet?

Een vrouw met pluizig haar vult de stilte in. „Zaterdag wordt het Beursplein bezet, net als Wall Street, in New York.”

Een ander slaat zijn hand hard op tafel, de glazen trillen. „Dat is briljant! Als deze stroming net zo snel groeit als The Tea Party dan komen we ergens.”

Ik schrik op, alle anderen blijven rustig naar hem kijken. Zo praten zij, dit is wat zij gewend zijn, ze zijn bevlogen.

Ik vergeet het elke keer. Met mijn vrienden praat ik over babydino’s, de beste kaaspannekoek en over de moordlust van de paashaas. We vragen elkaar maar zelden naar onze bezigheden, een politieke discussie is bijna uit den boze. De idee heerst dat praten over grote zaken weinig zin heeft. Je gilt je longen uit je lijf om je eigen mening te verdedigen en aan het einde kan de ander altijd zeggen: (en dat is meestal het geval) „daar ben ik het niet mee eens”. Beide partijen beginnen en eindigen met hetzelfde standpunt, dus waarvoor al die moeite? Dan verbazen we elkaar liever met plaatjes van terrorkatten met twee hoofden.

Alle ogen zijn nog steeds bij mij.

„Zouden jouw leeftijdsgenoten daarheen gaan?” vraagt er een.

Stuk voor stuk proberen mijn tafelgenoten iets los te krijgen. Langzaam ga ik mee in het gesprek, onwennig als een vis in een schoon aquarium. Ik weet dat er vriendengroepen zijn die veel meer over hun beweegredenen praten. Ze maken zich wel kwaad en organiseren marsen. Ze posten onrechtmatigheden op Facebook, zweetdruppels rollen over hun slapen als ze het ergens mee oneens zijn.

Voor de bezetting van het Beursplein hebben zich al meer dan drieduizend mensen aangemeld, zelfs als daarvan maar eenderde komt opdagen, kunnen we spreken van een substantiële demonstratie. Vooral omdat er geen einde in zicht is. Op 17 september werd in Amsterdam al een poging gedaan, dat leverde weinig op. Nu lijkt de tijd rijp.

„Ga jij meedoen deze zaterdag?”

Ik had al gezien dat de demonstratie van morgen anders dan anders is. We mogen ook de straat op om te slapen, dat beviel me. Er gebeurt iets. Ik wist nog niet gelijk wat de exacte redenen van de betogers waren om ons zo massaal te verzetten. Wat waren de eisen? Na een speurtocht over internet, weg van de onbegrijpelijke site van de demonstranten zelf, kwam ik erachter. Eisen zijn er niet. Dat is nu net het hele eieren eten. De bezetting is een eis op zichzelf.

Sommige media verwijten de protestanten dat ze slecht geïnformeerd zijn, maar dat hoeft zo erg nog niet te zijn. Natuurlijk, in een wereld zo complex als de onze, zijn we allemaal ongeïnformeerd over de meeste dingen. Het verschil is dat deze mensen nog hoop koesteren om iets te kunnen veranderen. Waar ik die misschien al verloren heb. Maar wellicht is het nog niet te laat voor mij. Ik moet af van het idee dat ik toch niets teweeg kan brengen. Het is zoveel makkelijker om cynisch je schouders op te halen, dan om te besluiten toch een slaapzak van zolder te halen.

Een man op Wall Street zei: „We’re fucked either way.”

Hij kiest ervoor de straat op te gaan en te vechten. Ik kies ervoor me apathisch langs de zijlijn op te stellen. Zijn keuze levert vast meer plezier op. De Amerikaanse schrijver Emma Goldman zei ooit: „If I can’t dance, I don’t want to be a part of your revolution”. Misschien is dat ook een deel van de aantrekkingskracht van dit protest: het is vrolijk, niet zo gelijkhebberig als het vroegere demonstreren. De vrienden van mijn ouders wisten precies waar ze tegen waren, en ze wisten precies wat er moest veranderen. De manifestatie van morgen gaat om algemeen ongenoegen met de tijd. Dat hebben de oude tafelgenoten nog niet zo door: die denken nog in oude hippiedemonstratiemodellen.

„Als ik jou was, zou ik het doen”, zegt een van de vrienden van mijn vader. Zijn ogen staan hoopvol. Zijn oude benen dragen hem niet meer naar het Beursplein, zijn botten worden pijnlijk op de koude tegels. Misschien dat ik het ditmaal wel doe. Zodat ik ooit kan zeggen tegen mijn dochter: „Mama is moe, maar vroeger deed ze wel mee.”

Alma Mathijsen is schrijver en beeldend kunstenaar. Onlangs verscheen haar debuutroman ‘Alles is Carmen’.