Het bewijs is gering, maar de poeha niet

Iran zou een complot tegen de Saoedische ambassadeur in de VS hebben beraamd.

Het bewijs rammelt nogal. Toch eisen de Amerikanen nieuwe sancties tegen Iran.

Het leest als een Hollywoodscript, zei de FBI bij de onthulling dinsdag van een vermeend Iraans moordcomplot op de Saoedische ambassadeur in Amerika. Maar dan wel een script met veel losse eindjes. Want de officiële aanklacht tegen de spil van het complot, de Iraans-Amerikaanse autohandelaar Mansour Arbabsiar, roept vooral vragen op. Amerikaanse functionarissen noemen het „meer dan waarschijnlijk” dat Iran vooraf kennis had van het complot, of het heeft goedgekeurd. Maar de tot nu toe vrijgegeven informatie rechtvaardigt zo’n conclusie niet.

Eerst de grote lijnen. In de lente van dit jaar is Arbabsiar, woonachtig in Texas, op bezoek in Iran. Daar wordt hij door een neef gevraagd om te helpen bij de ontvoering van de Saoedische ambassadeur in de VS. Deze neef is voor zover Arbabsiar weet een hoge officier van de Quds-brigade, een elite-eenheid van de Iraanse Revolutionaire Garde.

Op 24 mei ontmoet Arbabsiar, die voor zaken geregeld naar Mexico reist, de man die het complot moet uitvoeren. Het is een Mexicaan die zegt dat hij lid is van een berucht drugskartel en kan omgaan met explosieven. Na een paar gesprekken besluiten ze dat de Mexicaan de Saoedische ambassadeur zal vermoorden, geholpen door vier handlangers. Arbabsiar is pragmatisch: de Mexicaan moet zelf inschatten wat het handigste is, een kogel of een bom. Als daar Amerikaanse burgers bij omkomen? Geen probleem, zegt Arbabsiar.

Maar op 28 september wordt de autohandelaar gearresteerd in New York. Al die tijd werkte zijn Mexicaanse huurmoordenaar als informant voor de DEA, de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst. Het was ook deze Mexicaan, die de Amerikaanse autoriteiten voor het eerst wees op het opmerkelijke verzoek van Arbabsiar om een aanslag te beramen.

Dinsdag werd Arbabsiar voorgeleid in New York, een sjofele 56-jarige man met een groot litteken op zijn kaak. De Amerikaanse regering zegt dat Arbabsiar werd aangestuurd door hooggeplaatste functionarissen in Iran en beraadt zich op nieuwe strafmaatregelen tegen het land. De Amerikaanse verontwaardiging kreeg bijval in Saoedi-Arabië en Europa.

Als er al bewijs bestaat dat belangrijke spelers binnen het Iraanse regime wisten van de plannen van de autohandelaar uit Texas, dan is dat niet te vinden in de aanklacht. De enige Iraniër die bij naam wordt genoemd is Ali Gholam Shakuri, een tussenpersoon die volgens Arbabsiar zorgde voor het geld en boodschappen doorgaf van de Quds-brigade. Volgens Arbabsiar maakt Shakuri zelf geen deel uit van de brigade, maar was hij een assistent van zijn neef. En die neef is een „belangrijke generaal”. In de aanklacht wordt zijn naam niet genoemd, maar het zou gaan om Abdul Reza Shahlai, die al in 2008 op de Amerikaanse sanctielijst was gezet wegens vijandige activiteit in Irak.

Tussenpersoon Shakuri is de enige Iraniër van wie de FBI onomstotelijk heeft kunnen vaststellen dat hij contact had met Arbabsiar. Ze lieten Arbabsiar na zijn arrestatie drie keer met Shakuri bellen. Het bewijs voor Arbabsiars contacten in Iran, leunt uitsluitend op het woord van de autohandelaar. Arbabsiar wist een vermeende Quds-officier die hij zei te hebben ontmoet in Iran te identificeren op een foto.

Een aantal ontbrekende puzzelstukjes is sinds de onthulling van het moordcomplot opgedoken in de Amerikaanse media. Onder meer de New York Times schrijft details te hebben doorgekregen uit anonieme overheidsbronnen. De meeste van deze details zijn intrigerend, maar niet doorslaggevend – bijvoorbeeld dat de Mexicaanse DEA-informant lid is van Los Zetas, een van Mexico’s grootste en gewelddadigste drugskartels.

Anonieme bronnen hebben ook aan journalisten verteld dat Arbabsiar en de Mexicaan nog andere doelwitten voor aanslagen bespraken, zoals de Israëlische ambassade in Washington en ambassades van Israël en Saoedi-Arabië in Argentinië.

Eén puzzelstukje dat wel in de media circuleert, maar niet in de aanklacht staat, is cruciaal: het voorschot voor de moord zou zijn getraceerd naar een rekening van de Quds-brigade. Dat schrijft de New York Times. In het FBI-verslag staat niet meer dan dat Arbabsiar verklaarde dat het geld „uit Iran” kwam en dat is vastgesteld dat de autohandelaar twee keer een voorschot heeft overgemaakt naar zijn huurmoordenaar vanaf een niet nader gespecificeerde buitenlandse rekening.

Als er een onomstotelijk bewijs is in dit Hollywoodscript, waarom presenteert de FBI het niet?

    • Ykje Vriesinga