Games in het museum

Vorige week was er in het Stedelijk Museum te Amsterdam een avond over kunst en games, Load It! Mooi initiatief, jammer alleen dat de avond begon met een langdradig debat over de vraag of games wel thuishoren in musea. Terwijl de conclusie voor de hand ligt: natuurlijk. Als je maar de juiste games selecteert. Games die zowel in uiterlijk als gameplay vernieuwend, prikkelend en mooi zijn.

Dat er toch nog discussie is, komt door traditie, gebrek aan durf en misschien ook wel wat angst voor het onbekende. „Een museum draait normaal gesproken om kijken”, zegt Bruno Felix van multimediabedrijf Submarine, producent van drie die avond onthulde kunstgames. „Er is een dappere curator nodig die het aandurft om het museum om spelen te laten draaien.”

Bart Rutten, de conservator van het Stedelijk, is er tenminste eerlijk over. „De mode of address is zó anders”, zegt hij. „Als je speelt, word je bekeken.” Dat zijn ze bij het museum niet gewend.

Er kwamen alternatieven voorbij. Als we nu eens een filmpje van een mooie game tentoonstellen, zoals eerder gebeurde met de gestileerde shooter Rez? Tja, dan wordt het dus videokunst. De spreekwoordelijke foto van een Rietveld-stoel. Mooi kiekje, maar je kunt er niet meer op zitten. En de echte kunst van games ervaar je alleen als je zelf speelt.

De Weense mediacriticus Mathias Fuchs merkt op dat vernieuwende kunstenaars zich doorgaans afzetten tegen musea: „Vernietig ze, daarna kunnen we aan de slag.” Oftewel, musea mogen blij zijn als gamemakers überhaupt interesse hebben om hun werk er te vertonen. Games hebben geen musea nodig, andersom misschien wel – als bezoekers trekken het doel is.

De drie nieuwe games van Load It! hebben een jarenlang subsidietraject afgelegd. Compleet met betaalde brainstorms en samenwerkingen tussen beeldend kunstenaars en gamedesigners. In het eindresultaat zie je de Calvinistische speelangst terug. De games ogen fraai; ze passen netjes in het oeuvre van de beeldend kunstenaars die eraan meewerkten. Maar als spel zijn ze clichématig of van alle obstakels en puzzels ontdaan, waardoor er weinig meer overblijft dan een interactieve kunstinstallatie.

Elders in het museum, in de schaduwhoekjes van de vaste collectie, staat nog een handvol bestaande games. Eén game overtroeft de rest met gemak: Proun, dat een vermakelijk en fris spelmechanisme koppelt aan een kleurrijke, gestileerde vorm. Joost van Dongen programmeerde de game in zijn vrije tijd en verdiende er aardig aan. Tot zover de subsidietrajecten. En Proun staat ook al in diverse musea.

Niels ’t Hooft

In deze rubriek schrijven freelance journalist Niels ’t Hooft en gamewetenschapper David Nieborg over games.