Een goed getroffen toon is niet genoeg

De jury van de Booker Prize, die dinsdag wordt uitgereikt, zegt zich te richten op de ‘gemiddeld intelligente lezer’. Rob van Essen vraagt zich af wie dat zou zijn en constateert dat de veteranen op de shortlist de besten zijn. En kan die duif niet weg?

iteraire jury’s kunnen nooit iedereen tevreden stellen, maar toen de jury van de Man Booker Prize begin september de shortlist bekendmaakte, laaide de kritiek wel erg hoog op. ‘Booker Prize Crisis’, kopte een Britse krant zelfs. Waarom waren uitstekende romans als On Canaan’s Side van Sebastian Barry en King of the Badgers van Philip Hensher gepasseerd, om nog maar te zwijgen van The Stranger’s Child van Alan Hollinghurst?

Juryvoorzitter Stella Rimington voerde ter verdediging aan dat de jury zich niet op de literaire insiders wilde richten, maar op de average intelligent reader. Een raadselachtige reactie. Waarom zou je die lezer van gemiddelde intelligentie (geen idee wie het is, maar ik zou graag naast hem wonen; hij maakt vast weinig lawaai) de beste boeken onthouden?

Maar jury’s hebben het laatste woord, en de jury van dit jaar koos voor een verrassende mengeling van jonge en oude garde. Naast romans van veteranen als Julian Barnes en Carol Birch staan er twee debuten op de shortlist, en twee tweede romans.

Hoeveel de zes uitverkoren boeken ook van elkaar verschillen, één ding hebben ze gemeen: ze zijn stuk voor stuk geschreven in de eerste persoon enkelvoud. Elke auteur heeft een verteller ontworpen met een eigen toon, en elke auteur is erin geslaagd die toon geloofwaardig te maken. Maar een overtuigende toon maakt nog geen overtuigende roman.

Het beste voorbeeld daarvan is The Sisters Brothers, de tweede roman van de in Canada geboren Patrick de Witt (Vancouver Island, 1975). Het boek gaat over twee huurmoordenaars in het Wilde Westen, de gebroeders Sisters. Zoals die naam al doet vermoeden, gaat het hier om een komische roman. Het verhaal wordt verteld door Eli Sisters, een eeuwige twijfelaar, die samen met zijn gewetenloze broer Charlie de opdracht krijgt een goudzoeker op te sporen en te vermoorden.

Eli vertelt zijn verhaal met een bloemrijke welsprekendheid. Die toon geeft hem iets potsierlijks, en het feit dat hij dat zelf niet doorheeft, zorgt voor een uitermate komisch effect. Het lukt DeWitt om die toon tot het eind te bewaren, maar daardoor krijgt het boek iets eentonigs. DeWitt probeert wel diepere lagen aan te boren, maar echt tragikomisch wordt het nergens. Van alle zes titels op de shortlist is dit het boek dat na lezing het snelst vervliegt.

Snowdrops, de debuutroman van A.D. Miller (Londen, 1974), blijft iets langer hangen. Het boek speelt in het moderne, ultra-kapitalistische Moskou, waar de jonge Britse advocaat Nick in de ban raakt van de fatale vrouw Masha, door wie hij wordt gebruikt om een smerig oplichtingszaakje te financieren. Nick vertelt het verhaal zelf, op een mooie, stoere en tegelijk melancholische toon, die hier en daar doet denken aan de hardboiled misdaadromans van Raymond Chandler.

Maar ook hier is de toon niet genoeg. Het verhaal is onderhoudend, maar weinig verrassend, en iets meer vaart had geen kwaad gekund. Ook stopt Miller, die jarenlang correspondent in Moskou was, te veel informatie over Moskou in zijn boek; soms is het net of je een reisgids leest. Het grootste manco is dat Miller zijn roman heeft opgezet als een lange brief van Nick aan zijn aanstaande bruid. Nick wil schoon schip maken, vandaar dat hij haar vertelt wat hij in Moskou heeft meegemaakt. Misschien dacht Miller dat die extra dimensie zijn roman literaire meerwaarde zou geven, maar de ingreep werkt averechts. Geen wonder dat Nicks wanhopige liefde voor Masha nergens echt voelbaar wordt, denk je als lezer, hij houdt zich in, ondanks die stoere toon van hem, hij gaat zijn verloofde echt niet alles vertellen.

Debutant Stephen Kelman (Luton, 1976) maakt in Pigeon English een vergelijkbare fout. Bij hem gaat het niet om een overbodige verloofde, maar om een overbodige duif. Verteller van zijn roman is de elfjarige Harri, een Ghanese jongen die met zijn familie in een troosteloze Londense nieuwbouwwijk is beland. Harri voelt zich aangetrokken tot het bendeleven van de oudere jongens, maar deinst terug voor het geweld. Diefstal, moord – hij laveert overal tussendoor, maar uiteindelijk blijkt de stadsjungle te sterk voor hem. Zijn opgewekte, naïeve verteltoon contrasteert met het ruige straatleven om hem heen, en dat werkt goed.

Maar Kelman maakt zijn verteller zo schattig dat het te veel afstand schept. Harri kan je niets leren: je voelt je superieur omdat je beter begrijpt wat er in Harri’s wereld aan de hand is dan hijzelf. Zo wordt het verhaal eerder sentimenteel dan schrijnend. Maar Kelmans grootste vergissing is dat hij een stadsduif opvoert die filosofisch commentaar mag geven op de gebeurtenissen – een misplaatst literair effect, dat de roman ondanks zijn kwaliteiten opeens onuitstaanbaar pretentieus maakt.

In Half Blood Blues, de tweede roman van de Canadese Esi Edugyan (Calgary, 1979), vluchten een paar Amerikaanse en Duitse jazzmusici vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog van Berlijn naar Parijs, waar de oorlog hen alsnog inhaalt. Wanneer de hoofdrolspelers elkaar vijftig jaar later weer tegenkomen, blijken er nog wat rekeningen uit het verleden open te staan.

Half Blood Blues is een verhaal van onderlinge competitie, jaloezie en bedrog, dat aan de lezer wordt verteld door de bassist van het gezelschap, Sid. Edugyan laat hem dat doen in een cool en swingend jazzidioom. Dat doet ze met overtuiging en met verve, maar op een gegeven moment vraag je je af of deze toon wel recht doet aan de wat sneue en jaloerse Sid, die als de minst getalenteerde musicus van het gezelschap zich altijd met een rol op het tweede plan heeft moeten verzoenen. Bovendien uiten de andere musici zich op dezelfde hippe wijze, zodat een zekere vervlakking optreedt.

Edugyan heeft zich verdiept in de positie van zwarten in het Duitsland van het interbellum, maar helaas schemert die research door de regels heen. Zo nu en dan zie je de personages veranderen in marionetten: sommige dingen doen ze alleen maar omdat de auteur bepaalde misstanden aan de kaak wil stellen. Een bezoek aan de dierentuin van Hamburg heeft geen enkele verhaaltechnische noodzaak en lijkt uitsluitend bedoeld om het schokkende feit in de roman te kunnen verwerken dat daar vóór de oorlog behalve dieren ook Afrikanen werden tentoongesteld.

Tot zover de jonge garde. Het zijn geen meesterwerken, maar ook geen mislukkingen; het zijn romans van schrijvers die nog het een en ander moeten leren. Als lesmateriaal kunnen ze romans gebruiken van de veteranen van de shortlist, Julian Barnes en Carol Birch.

Julian Barnes (Leicester, 1946), die al drie keer eerder op de shortlist voor de Booker stond, maar nooit won. Hij laat in The Sense of an Ending, zijn elfde roman, de gepensioneerde Tony Webster aan het woord. Tony denkt terug aan zijn eerste vriendinnetje, dat hij kwijtraakte aan zijn beste vriend, Adrian, die later zelfmoord pleegde. Net als we ons in slaap laten wiegen door Tony’s nostalgisch-gelaten toon, blijkt dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij zijn blik op het verleden.

Tony krijgt een oude brief van hemzelf in handen, en daaruit blijkt dat hij een minder ridderlijke rol heeft gespeeld dan hij altijd heeft gedacht. Dat Tony tot dat inzicht komt door een brief die hijzelf heeft geschreven, is een goede vondst van Barnes. Als iemand anders je vertelt dat je herinneringen je bedriegen, kun je dat verwerpen; als een zelfgeschreven brief je dat voorhoudt, word je aan het denken gezet. En zo wordt als vanzelf ook de lezer aan het denken gezet over de gebreken van het eigen geheugen.

The Sense of an Ending is een typische Barnes-roman: de verteltoon dringt zich nergens op de voorgrond, de stijl is soepel (zo soepel dat je soms stiekem verlangt naar een haakje waaraan je nagel blijft haken), er worden moeiteloos verbanden gelegd tussen het algemene (de kenbaarheid van de geschiedenis) en het persoonlijke (de onbetrouwbare eigen herinneringen) en het verhaal bevat mooie essayistische uitweidingen.

Misschien is het een nadeel dat door de geringe omvang van de roman de bijfiguren nooit helemaal uitgroeien tot volwaardige personages; aan de andere kant past dat ook wel weer bij de flegmatieke verteller, die niet overloopt van inlevingsvermogen.

Het essayistische parlando van Barnes vormt een groot contrast met de roman van de andere routinier op de shortlist, Carol Birch (Manchester, 1951). Jamrach’s Menagerie, haar tiende roman, is een overtuigende, breed opgezette vertelling met klassieke trekjes. Verteller is Jaffy Brown, die opgroeit in de sloppen van 19de-eeuws Londen. Als achtjarig jongetje belandt hij in de bek van een ontsnapte tijger. Hij komt er ongedeerd vanaf, krijgt een baan bij Jamrach, de eigenaar van de menagerie waaruit de tijger is ontsnapt, en komt via dezelfde Jamrach een paar jaar later terecht op een walvisvaarder die een geheime missie heeft: het vangen van een varaan in Nederlands-Indië.

Naarmate de roman vordert, groeit de toon met de verteller mee. De zeereis en het leven aan boord worden zeer meeslepend beschreven, met een goed oog voor sprekende details. Birch leent Jaffy haar opmerkingsvermogen en haar schrijftalent en de lezer aanvaardt dat moeiteloos.

Juist omdat Birch Jaffy’s toon niet overdrijft, wordt het feit dat hij aan het woord is, nergens ongeloofwaardig, wat er ook gebeurt. En er gebeurt nogal wat. De walvisvaarder vergaat midden op de Stille Oceaan, waarna een aantal overlevenden in twee kleine sloepen een wekenlange helletocht maakt. Zonder dat je het als lezer aan zag komen, wordt het verhaal gruwelijker en gruwelijker, tot de ellende bijna mythische proporties aanneemt.

Jamrach’s Menagerie zit vol literaire echo’s. De tijger en de zeereis doen denken aan een eerdere winnaar van de Booker Prize, Yann Martels Life of Pi, maar waar Martel de magisch-realistische kant opging, baseert Birch zich op historische bronnen, zowel als het gaat om het voorval met de tijger als bij de schipbreuk. Haar roman heeft dan ook meer verwantschap met Moby Dick van Herman Melville. Niet alleen omdat in beide boeken een walvisvaarder centraal staat, maar ook omdat Melville zich voor zijn roman door dezelfde geruchtmakende schipbreuk liet inspireren als Birch, die van de walvisvaarder Essex in 1820.

De vraag of het nog zinvol is om in deze tijd zo’n klassiek verhaal te vertellen, pareert Birch door haar verhaal van een moderne inslag te voorzien: ze besteedt ook aandacht aan de trauma’s en depressies van degenen die het ijzingwekkende avontuur hebben overleefd.

Na lezing van deze shortlist lijkt de conclusie gewettigd dat de veteranen de slag hebben gewonnen. Bij de jonge garde overheerst de verteltoon. Dat levert hier en daar bewonderenswaardige resultaten op, maar als het verhaal niet werkt, heb je weinig aan een goed getroffen toon. Het is geen toeval dat bij de veteranen de toon een minder prominente rol speelt: zij laten de toon werken in dienst van het verhaal. Niet de toon levert het vuurwerk bij Barnes en Birch, maar wat die toon overbrengt.

Aanstaande dinsdag zal blijken welk boek de juryleden van de Booker Prize het meest geschikt achten voor the average intelligent reader. Misschien vallen ze voor de naïeve charme van Harri uit Pigeon English van Stephen Kelman, en nemen ze die irritante filosofische duif voor lief. Maar als literaire kwaliteit de doorslag geeft, moet een van de veteranen worden bekroond.

Gezien zijn eerdere nominaties zou Barnes de prijs meer verdienen dan wie ook, maar de Booker is nu eenmaal geen oeuvreprijs, en daarom zou de prijs moeten gaan naar Jamrach’s Menagerie. Vergeleken met de fijnzinnige kamermuziek van The Sense of an Ending is de roman van Carol Birch overrompelender en veelomvattender, een feest van taal en ontbering, een symfonie die je na het slotapplaus bewonderend en uitgeput in je stoel laat zitten, nog even los van je eigen omgeving.