Druk? Hoezo druk?

Iedereen is druk druk druk. Met werk, kinderen, huishouden en hobby’s. Maar zó druk zijn we helemaal niet, blijkt vandaag uit internationaal onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). In vergelijking met andere Europeanen werken Nederlanders het minst en hebben ze de meeste vrije tijd.

‘Hé, hoe gaat het?’ ‘Goeoed! Druk!’ Bekende conversatie? Natuurlijk. Het antwoord ‘Goed hoor, lekker weinig te doen’, zou de wenkbrauwen doen fronsen. Hoezo weinig te doen? Wij zijn Druk. Altijd. Met werk. Met kinderen. Met de combinatie van die twee. Met onze hobby’s en sociale contacten. Druk is de norm.

Maar nu is door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) onderzocht of we de waarheid spreken. Wat blijkt? We hebben het helemaal niet druk. Althans, niet vergeleken met de rest van Europa. Sterker: de Nederlander is het minst druk van allemaal: we besteden dagelijks bijna een uur minder aan verplichtingen als werk en huishouden en hebben een half uur meer vrije tijd.

De arbeidsparticipatie ligt in Nederland volgens de officiële Europese cijfers hoog, maar we draaien minder uren dan andere Europeanen. Van de mannen tussen de 20 en 64 jaar is 69 procent op een doordeweekse dag aan het werk. Van de vrouwen is dat slechts 44 procent. Ook de werkdag van een Nederlander duurt korter dan gemiddeld.

Mannen werken 7 uur en 50 minuten per dag, waar ze in de meeste andere Europese landen ruim 8 uur klokken. Bij vrouwen is het verschil extremer: Nederlandse vrouwen die werken, doen dat gemiddeld 6 uur per dag. In België, Duitsland, Frankrijk en Noorwegen zitten ze al op een kleine 7 uur, terwijl de Zweden, Finnen en Slovenen ruim over de 7 uur heen gaan.

Volgens Mariëlle Cloïn, onderzoeker bij het SCP en medeverantwoordelijk voor het rapport, bleek al uit eerder onderzoek van het SCP dat 75 procent van de werkende Nederlandse vrouwen minder dan 35 uur per week werkt. In andere landen maakt slechts een kwart van de werkende vrouwen minder dan 35 uur. Het is het directe gevolg van het Nederlandse deeltijdmodel, zegt Cloïn.

Alles of niets, een heel normaal uitgangspunt in bijvoorbeeld Oost-Europa, ligt de Nederlander niet. Doe ons maar van alles wat, is het beeld dat opdoemt uit de onderzoeksresultaten. Beetje werken, beetje vrijwilligerswerk, beetje huishouden, beetje sporten en een beetje in de kroeg hangen. Niks doen we langdurig, zelfs tv-kijken niet.

Het rapport van het SCP werd gebaseerd op onderzoeken naar tijdsbesteding die volgens een vergelijkbaar ontwerp zijn uitgevoerd in zestien Europese landen. Betaald werk, zorgtaken en huishouden werden door de onderzoekers onder het kopje ‘verplichtingen’ geschaard: alles wat moet. Wat Nederlanders op een dag moeten, duurt dagelijks bijna een uur minder lang dan wat de inwoners in de andere onderzochte landen moeten (6 uur en 2 minuten tegenover een gemiddelde van 6 uur en 50 minuten).

Opvallend is dat de vrouwen in de meeste onderzochte landen meer tijd besteden aan verplichtingen dan mannen. De Zuid-Europese man houdt zich bijvoorbeeld strikt afzijdig van huishouden en zorgtaken.

Dan de Nederlandse man: hij besteedt vijftien minuten per dag meer tijd aan de kinderen dan zijn Europese collega’s. En ook in het huishouden stopt hij meer tijd dan andere Europese mannen. Nederlandse vrouwen zijn juist minder druk met kinderen en huishouden. Ze werken beduidend minder dan andere Europese vrouwen, maar dat wordt niet gecompenseerd door de stofzuiger vaker ter hand te nemen.

Blijkbaar kunnen Nederlandse vrouwen en mannen zich die extra vrije tijd veroorloven, constateert Cloïn. „Ze hoeven zich bepaald geen slag in de rondte te werken om goed te kunnen leven. Bovendien is het volledig geaccepteerd dat Nederlanders, vrouwen én mannen, niet voltijds werken.”

Onderschat de impact van de heersende normen niet als het gaat om werkende vrouwen, zegt Cloïn: „Vrouwen moeten kunnen werken, maar zodra er kleine kinderen in het spel zijn, is een parttimebaan de norm: dat hoort zo. Moet een kind meer dan twee of drie dagen naar de opvang, dan is dat ‘zielig’.” En als die kinderen ouder worden, blijven hun moeders parttime werken. Want het is eigenlijk ook wel lekker zo. ‘Prinsessengedrag’ wil Cloïn dat niet noemen. „Waarom zou je dat zo negatief bestempelen? Vrouwen besteden hun tijd gewoon liever anders. Niet alleen aan zichzelf, maar bijvoorbeeld ook aan mantelzorg en vrijwilligerswerk. Omdat het kan.

De Nederlandse overheid heeft bovendien altijd ingezet op deeltijdbanen. Deeltijdwerkers in Nederland hebben een goede positie op de arbeidsmarkt, terwijl een deeltijdbaan in de andere onderzochte landen vaak een marginaal baantje aan de onderkant van de carrièreladder is. Maar nu ziet de overheid de vergrijzing aankomen en gaat ineens roepen dat we meer moeten werken. Daar gaan mensen natuurlijk niet zonder meer meteen in mee. Verandering kost tijd.”

En als de noodzaak om meer te werken er niet is, kan die verandering lang duren. „We kunnen het ons kennelijk financieel permitteren om minder te werken dan andere Europeanen”, zegt Cloïn.

Ze gelooft dan ook niet dat er een grote groep mensen wanhopig staat te duwen tegen de arbeidspoorten omdat ze zo graag meer willen werken. De overheid wil dat vooral vrouwen meer uren gaan werken. Niet alleen vanwege de vergrijzing, maar ook als emancipatiestimulans: met een deeltijdbaan zijn maar weinigen economisch zelfstandig en weten maar weinigen het glazen plafond open te breken.

Maar ja, haalt Cloïn haar schouders op, „het is de vraag in hoeverre vrouwen zich door deze argumenten geroepen voelen”. Kunnen ze wel lak hebben aan de roep om meer uren te gaan werken, nu we in een economische crisis zitten en er bovendien een donkere vergrijzingswolk boven ons hoofd hangt? Cloïn: „Het zou veel problemen oplossen als bijvoorbeeld alle vrouwen die in de zorg werken, meer uren gaan werken. Bovendien verkleint het de kans dat ze in armoede terechtkomen als ze alleen komen te staan.” Het is vooral een politiek vraagstuk, vindt ze. “Mensen voelen zich niet geroepen door een macroargument als: ‘het is crisis, dus jullie moeten harder werken’. Pas als meer werken noodzakelijk is om je eigen gezin te kunnen onderhouden, of je de ambitie hebt om in je werk door te groeien, wordt het een ander verhaal.”

Resteert de vraag waarom Nederlandse mannen en vrouwen zo graag zeggen dat ze het razend druk hebben, terwijl dat vergeleken met alle andere onderzochte landen niet zo is. Voelen ze zich dan druk? Ook niet. De balans tussen werk en privé kan wel beter, maar gejaagd – een gebruikelijke indicator van tijdsdruk – voelen ze zich volgens dit onderzoek niet vaak. Vergelijking met andere landen is moeilijk – hoe meet je het gevoel ‘druk’, en is de definitie daarvan niet cultureel bepaald? – maar de onderzoekers legden de cijfers van een aantal landen naast elkaar en wat bleek? Ook hier is Nederland hekkensluiter. Ze voelen de minste tijdsdruk en hebben het minst vaak gevoelens van gejaagdheid.

Misschien, speculeert Cloïn, vinden Nederlanders het wel gewoon fijn om te leven met het idee dat ze het druk hebben. Ze hebben dankzij hun deeltijdbaan een gevarieerde daginvulling en zien dat als een verrijking in plaats van een conflict.

Voortaan dan maar een eerlijker antwoord op de vraag hoe het gaat? Goed idee, vindt de onderzoekster. „Je kunt beter zeggen: het is soms druk, maar ach, dat regel ik ook wel weer.”

    • Anne Dohmen