Als ik niet de beste ben, dan ben ik de slechtste

Een keeper kan zich niet verstoppen, moet er altijd staan, en maakt hij een fout dan is die dikwijls fataal. Verklaart dat de zelfmoord van de Duitse keeper Robert Enke?

Hannover’s goalkeeper Robert Enke saves a ball shot by a player of Bremen during their Bundesliga football match 28 January 2007 at the Weser Stadium in Bremen, northern Germany. Bremen won the match 3-0. AFP PHOTO DDP/DAVID HECKER GERMANY OUT AFP

Ronald Reng: Robert Enke, een al te kort leven. Vert. Peter Claessens. De Arbeiderspers, 415 blz., € 24.95

Op 10 november 2009 zette Robert Enke, doelman van het Duitse voetbalelftal, gelukkig getrouwd en vader van een (pleeg)dochter, even na zessen ’s avonds zijn auto stil op de spoorbaan in Eilvese. Hij stapte niet uit. Enkele minuten later zou hij door de sneltrein uit Bremen kapot gereden worden. Enkes zelfmoord was niet impulsief. Hij had tegen zijn vrouw gelogen dat hij die dag twee trainingen had, hetgeen hem de tijd verschafte urenlang met zijn auto door de omgeving te rijden. En hij wist dat de sneltrein elke dag om kwart over zes zonder te stoppen door Eilvese raasde.

Enke leed aan depressies, een niet alleen binnen de professionele voetbalwereld onbespreekbare ziekte. Bij hem spookte al zijn hele carrière de gedachte door het hoofd: als ik niet de beste ben, ben ik de slechtste.

Op de bijzondere plaats die de doelman in een voetbalelftal inneemt zijn al ettelijke bespiegelingen losgelaten, dikwijls verwijzend naar zijn positie als ‘loner’ binnen een collectief. In het geval van Enke was een belangrijke factor dat een keepersfout bijna altijd grotere gevolgen heeft dan die van een veldspeler. De fouten die de laatste maakt kunnen gecorrigeerd worden, een veldspeler kan zich ook zelfs ‘verstoppen’ op een moment dat hij zich onzeker voelt. Een keeper kan zich niet verstoppen, moet er altijd staan, en maakt hij een fout dan is die dikwijls fataal en kan het verschil tussen winst of verlies betekenen.

Enkes eerste depressie werd ingeluid door de fouten die hij maakte in 2002 bij zijn debuut in het grote Barcelona, in een bekerwedstrijd tegen een derdeklasser. Barcelona verloor, was uitgeschakeld voor de Spaanse beker, en de schuld werd neergelegd bij Enke die, zoals aanvoerder Frank de Boer in het openbaar liet weten, enkele beoordelingsfouten had gemaakt. Niet al te elegant (Enke noemde hem in zijn dagboek ‘Frank de Eikel’), maar qua horkerigheid nog niets vergeleken bij die van keeperstrainer Frans Hoek en de altijd maar brullende coach Louis van Gaal, die hem terstond uit de selectie verwijderde.

Het zou te mal zijn de Nederlanders schuld over het lot van Enke aan te praten, want, zoals Reng schrijft: ‘wanneer een mens zich in een depressie het leven beneemt, heeft niemand anders daaraan schuld.’ Latere Nederlandse teamgenoten als Pierre van Hooijdonk en Arnold Bruggink komen aanzienlijk sympathieker uit dit relaas naar voren.

Enke kon de fouten die hij maakte niet vergeten. De tocht langs Fenerbahce, Tenerife en Hannover 96, de clubs waar hij na Barcelona speelde, leidde hem tot de uitspraak dat overal waar hij verscheen het de club slecht verging. Maar die eerste depressie ging toch weer over en zelfs zijn manager Jörg Neblung en echtgenote Teresa bleven gesterkt in hun mening (hun ‘gezonde mensenverstand’) dat je ‘verdrietige mensen moest bezighouden en opmonteren’. Er volgde een succesvolle periode op Tenerife, waar hij ‘zijn stijl hervond’. Daarna was er nog meer succes, keerde hij zelfverzekerd terug naar zijn geboorteland, ging spelen bij Hannover, waar hij enthousiast was over de hem tot dan zo onbekende saamhorigheid in het team, na jaren in ploegen te hebben gefunctioneerd waar het conflictmodel de norm was, het, zonodig kunstmatig, opfokken en creëren van onderlinge concurrentiegevoelens om de spelers ‘scherp’ te houden.

Hij presteerde uiteindelijk zo goed dat hij, betrekkelijk laat in zijn loopbaan, in beeld kwam bij het nationale elftal. Bij het EK van 2008 was hij reservekeeper. In de aanloop naar het WK van 2010 werd Enke de duidelijke kandidaat voor de plek van eerste keuze onder de lat. Maar toen ging het nog grondiger mis.

In 2006 was zijn dochtertje, dat met een hartafwijking was geboren, overleden. Uiterlijke zelfverzekerdheid verhulde niet langer dat inktzwarte gevoelens steeds zwaarder overheersten. Hij kreeg een blessure, een jongere concurrent-doelman diende zich aan. Teresa kon haar man steeds vaker met moeite zijn bed uit krijgen, hij zegde trainingen af. ‘Wat is er toch met Enke?’ vroeg de sportpers zich steeds luider af. ‘Als je maar eens een half uur mijn kop zou hebben, dan zou je begrijpen waarom ik gek word’, vertelde hij zijn steeds banger wordende echtgenote. Het Duitse elftal plaatste zich zonder hem voor het WK. De laatste keer dat Enke op het veld stond was in het stadion van Hannover, in een doodskist.

Schrijver/journalist Reng beschrijft het allemaal zeer indrukwekkend. Hij kende Enke persoonlijk vanaf 2002, ze maakten al vroeg plannen voor het schrijven van diens biografie. Hij kon dus putten uit de lange gesprekken die hij met Enke zelf voerde, maar ook uit diens dagboeken (wat hij met terughoudendheid doet, overigens). Na zijn dood voerde Reng gesprekken met wel veertig mensen die de keeper gekend hebben, en het moet gezegd dat hij een zeer empathisch, integer en voortreffelijk ziekteverslag heeft gecomponeerd. Hij schrijft ook hoe hij zelf, en niet alleen maar één enkele keer, door de uiterlijke schijn die een depressief iemand weet op te houden, bedrogen werd. ‘[Enke] maakt bij onze eerste ontmoeting de indruk als vierentwintigjarige een man te zijn die de dingen overwogen benadert en volkomen wars van cynisme is […] en precies denkt te weten wat een gelukkig leven is […] een profsporter die wordt bezield door de idee dat hij verder moet, hogerop.’ Vooral slaagt hij erin de laatste hoofdstukken een tragische urgentie mee te geven die zelfs spanning oproept, terwijl de lezer dan allang weet wat er gaat gebeuren.

Reng construeert een soort literaire draaikolk waarin Enke zijn manager, echtgenote en de teamarts laat meedraaien door de leugens over zijn ziekte steeds verder op te stapelen, de buitenwereld andere vage kwalen voor te spiegelen (‘de keeper van het nationale elftal kan toch niet naar een kliniek gaan!’) alleen maar om de ware aard van zijn aandoening geheim te houden. Uiteindelijk wordt de druk ondraaglijk, en zijn naaste omgeving moet samenzweren om hem niet alleen te laten – wat dus uiteindelijk niet lukte.

Wat ook meehelpt is dat Reng heel goed thuis is in de voetbalwereld, en de machinaties binnen en buiten de verschillende selecties voortreffelijk kan duiden. Een van zijn manieren om het karakter van Enke te tekenen is door diens eindeloze getut over zijn keepershandschoenen. ‘De naad zat bij zijn duim altijd aan de buitenkant, bij de andere vingers stond hij erop dat ze aan de binnenkant zaten.’ En zo zat de kleermaakster van de club ze altijd millimeter voor millimeter te vermaken, voordat de doelman tevreden was. Voor niet-voetballiefhebbers misschien onbegrijpelijke kul, maar wel fascinerend om te lezen.

Reng schetst de depressie als ‘geen zwakheid van karakter, maar een ziekte, een democratische ziekte: ze overkwam mensen ongeacht hun status, succes, kracht’. En daarmee lijkt de zelfmoord een soort onvermijdelijkheid, immers, de ziekte ‘vernauwt de waarneming zozeer dat de zieke niet meer begrijpt wat het betekent te sterven. Hij denkt dat het betekent dat hij van de ziekte afkomt’. Zijn dood laat de nabestaanden achter met vragen maar ook met schuldgevoelens. Niet over hun aandeel in de tragedie, maar over hun eigen onwetendheid over de ziekte die Enke kwelde. Er schijnen zelfs enkele voetballers te zijn die zijn begonnen erover na te denken.