'Ze schrok niet terug voor mijn vaders bagage'

In een driedelige reprise van de rubriek ‘Familiefoto’ vandaag Iet ten Heuvel (1930). „Hij praatte niet over mijn moeder, en wij vroegen hem ook niets.”

„We gingen op vakantie naar Bergen, naar zee. We bleven een hele maand, dat was vooruitstrevend. Mijn vader reed ons erheen, maar moest zelf na een week weer aan het werk. Hij had een groothandel in koek en snoep, die hij verkocht aan kruideniers in en om onze woonplaats Coevorden. Op de auto stond een reclame voor Victoria Biscuits: als je goed kijkt, kun je een deel van het logo zien.

Mijn vader was een echte zakenman. Hij was zo goochem. In de oorlog werd de suiker schaars, dus verhandelde hij tijdelijk grote zakken soepgroenten. Zijn auto verstopte hij achter een muur van lege koektrommels om te voorkomen dat de Duitsers hem zouden inpikken. Het heeft ons nooit aan iets ontbroken. De Ten Heuvels hadden het goed, zo stonden we bekend.

Mijn echte moeder heette Anna, Anna Koetsier. Ze is op de dag na mijn vierde verjaardag overleden. Het ging heel snel. Mijn vader was naar de TT in Assen geweest; hij was een echte autogek. Toen hij thuiskwam bleek mijn moeder een longontsteking te hebben, en vier dagen later was ze dood. Pie werd tijdelijk naar mijn opa en oma in Meppel gebracht; Annie en ik bleven volgens mij gewoon thuis.

Mijn vader stortte zich op zijn werk. Hij had zijn zaak net een jaar eerder opgericht. Hij praatte niet over mijn moeder, en wij vroegen hem ook niets. Er hing een foto van haar in de woonkamer. Mannie, de beste vriendin van mijn moeder, ving ons erg lief op en bleef ons wel dingen over haar vertellen. Volgens haar was mijn moeder een schat.

Onze huishoudsters werden een voor een verliefd op mijn vader, maar hij wees ze af; wij hadden dat meteen door, want dan gingen ze boos tegen ons doen. Een jaar na mijn moeders overlijden maakte mijn vader kennis met Clara, de zus van Mannie. Clara werd zijn tweede vrouw.

Kennelijk schrok ze niet terug voor zijn bagage; op hun trouwdag straalde ze, in haar groene jurk. Ik mocht als enige van ons drieën bij het huwelijk zijn, in de jeugdherberg van de vader van Clara.

Clara was intelligent, ze had hbs gedaan en ze las Engelse boeken. Ze corrigeerde mijn vaders taalgebruik. En ze was voortvarend: zo’n vakantie als deze, vier weken in een grote gehuurde villa aan een laan, dat regelde zij allemaal. De andere twee gezinnen op de foto waren van de zussen van mijn echte moeder. Die contacten bleef Clara ook onderhouden. Zij en mijn vader kregen nog vier kinderen. Op de foto staan Clarianne, Miep en Dick; van Judith, het nakomertje, was ze in verwachting toen ik zelf al getrouwd was en bijna mijn eerste kind kreeg.

Pie, Annie en ik mochten thuis net zoveel vrienden ontvangen als de andere kinderen, dat moet ik Clara nageven. Maar ze was heel streng voor ons. Ik heb stokslagen van haar gehad. Het ergste was als ze zei:

‘Ga maar naar boven, dan kom ik je zo een pak slaag geven.’

Dat afwachten, vreselijk. En je wist nooit wanneer je over de schreef gegaan was, want ze werd elke keer kwaad om iets anders. Natuurlijk denk je wel eens: je bent mijn moeder niet. Maar dat spreek je niet uit.”

Twee keer per jaar maken ze een reis met hun rode bus. Een compleet huisje op wielen is het, met gas en licht, een eettafel en een bedbank. Haar man staat te popelen om weer te vertrekken, weet ze. Hij kijkt rusteloos.

Op 28 oktober verschijnt bij De Arbeiderspers ‘Familiealbum’: een bloemlezing van de mooiste afleveringen uit deze rubriek, met nieuw materiaal en een voorwoord van Hans Aarsman.