Wat gister aanstoot gaf, is vandaag design

Een expositie in Parijs besteedt aandacht aan het estheticisme en l’art pour l’art. Wat blijkt? Wij smullen nu van wat ooit zedenbedervend was.

unst die vandaag schandaal verwekt, ziet morgen niemand meer als bezwaarlijk. Sterker nog: iedereen wil vandaag zijn huis inrichten in de stijl die gisteren nog schokkend, smakeloos en zedenbedervend was. Dat leert de tentoonstelling Beauté, morale et volupté (Schoonheid, moraal en wellust) die onlangs opende in het Parijse Musée d’Orsay en die eerder onder de titel The cult of beauty in Londen te zien was. Want bij de Esthetische beweging in Engeland in de tweede helft van de negentiende eeuw ging het om een revolutionair idee dat ons vanzelfsprekend voorkomt: dat schoonheid in de kunst als een doel op zich kan worden nagestreefd. En in het leven.

Maar ja, wat was mooi? Nou, een mooie vrouw met rood haar, zoals op Dante Gabriel Rossetti’s Bocca Baciata uit 1859. Schande! Alleen prostituees hadden in de vroeg-Victoriaanse tijd rood haar of verfden hun haren rood als aanwijzing voor hun beroep – een dame die met deze afwijking was geboren, onttrok haar gebrek met verf een leven lang aan het oog. Dat een kunstenaar maatschappelijke conventies aan zijn laars zou lappen om een amoreel streven naar schoonheid was omstreeks 1850 in Engeland een revolutionaire gedachte.

Ook zonder rood haar. Op Frederic Leightons Pavonia, uit 1858, kijkt een donkerharige vrouw met dromerige ogen om naar de toeschouwer; achter haar zijn pauwenveren gedrapeerd. Ze is mooi en er zijn geen aanwijzingen voor haar sociale positie. Evenmin is zij een historische figuur, uit het Oude Rome bijvoorbeeld of een middeleeuwse heilige. Zij zit maar en is mooi. Dat deed de Victoriaanse toeschouwer het ergste vermoeden: dat zij in al haar schoonheid seksueel beschikbaar is. Waar schoonheid regeert, ligt de lust op de loer, vond de Victoriaanse beschouwer. En laten we eerlijk zijn: niet geheel ongefundeerd.

Vooral sinds de geschiedwerken van Peter Gay weten we dat de Victoriaanse tijd niet zo preuts was als latere generaties voor het gemak en om hun eigen distantie te benadrukken hebben beweerd. Kijk maar naar al die naakte, rondborstige figuurtjes links en rechts van het toneel van willekeurig welke negentiende-eeuwse schouwburg. Het schokkende van deze schilderijen – en de brede stroming in woninginrichting, boekomslagen, behang en zelfs architectuur die er het gevolg van was – lag in het opgeven van de vanzelfsprekendheid van de relatie tussen schoonheid en morele kwaliteit. Wat moreel hoogstaand was, werd rond 1850 bepaald door de machtigen in de samenleving, in casu de land bezittende aristocratie, met des te meer zelfvertrouwen en nadruk naarmate het vermoeden groeide dat aan hun culturele hegemonie een einde zou kunnen komen. En de wereld was volop in beweging. Door de Industriële Revolutie was er overal in het Verenigd Koninkrijk een nieuwe middenklasse in opkomst, die het ging vervelen huizen te moeten inrichten met industrieel vervaardigde kopieën van het meubilair van de ‘oude’ rijken. Waarom niet een nieuwe stijl omarmd, die uitdrukking kon zijn van nieuw verworven rijkdom en aanzien?

Die ontwikkeling van het Estheticisme van kunstzinnige rebellie tot het leidende jargon in design en woninginrichting heeft wel iets zeer ironisch. Want de kunstenaars die rond 1850 het schone op zich, de kunst om de kunst, gingen nastreven, deden dat nu juist uit protest tegen diezelfde Industriële Revolutie, of liever gezegd de lelijkheid die ermee gepaard ging: overal walmden de schoorstenen van haastig opgetrokken fabrieken, en voor de schilderachtige armoede van het traditionele platteland was de beduidend minder schilderachtige armoede van het stadsproletariaat in de plaats gekomen. En dan dat afschuwelijke materialisme.

De gedachte aan schoonheid om schoonheid, l’art pour l’art, was overgewaaid uit Frankrijk. De term zelf is van de nu nog maar weinig gelezen Théophile Gautier. Ook de dichter Charles Baudelaire was een exponent van deze gedachte en dat alleen al geeft aan, dat de gedachte ook met allerlei vormen van ongeremd genot was verbonden en geneugten van allerlei aard: bandeloze seks, gebruik van psychotrope stoffen zoals opium. De tentoonstelling geeft door middel van schilderijen en de reconstructie van interieurs een aardige indruk van het decor waarin de Esthetische droom beleefd werd en volwassen mannen voor schoonheid in katzwijm vielen: kamers volgestouwd met meubeltjes en dingetjes die je nu misschien eerder oneerbiedig als snuisterijen zou omschrijven. Alleen de geuren moet de bezoeker er zelf bij bedenken.

De Esthetische beweging was niet een echte beweging met lidmaatschappen en ideologische debatten. Het moet gezegd dat de zeer fraaie catalogus niet erg duidelijk uitlegt dat in plaats van het woord ‘beweging’ het woord ‘trend’ eerder op zijn plaats zou zijn. Die ‘trend’ werd overigens in de tijd zelf al onderkend. In de jaren 1880 maakten Gilbert en Sullivan al een komische opera waarin de draak werd gestoken met de precieuze Estheten en op de tentoonstelling zijn prachtige spotprenten uit Punch van George Du Maurier te zien.

Maar het is de schrijver Oscar Wilde die in de tijd vermoedelijk het meest gedaan heeft voor het munten van het label ‘Esthetisch’ – door zijn luidruchtige dandybestaan en met name in zijn roman The picture of Dorian Gray. Die verscheen overigens in 1890, toen de nieuwigheid van het Estheticisme er al een beetje af was. Aan hem wordt op de expositie dan ook veel aandacht besteed. Dorian Gray gaat, zoals bekend, over een schilder die een portret maakt van een mooie jongen – zo mooi dat het model in het leven met de jaren niet ouder en minder mooi oogt, ook al leidt hij een uitgesproken liederlijk bestaan. Zijn portret daarentegen neemt het beeld aan van de verlopen, door geslachtsziekten ondermijnde afzichtelijke grijsaard die – voor het Victoriaans gemoed althans – de noodzakelijke uitkomst was van een amoreel, slechts op geneugten gericht bestaan.

Zo’n samenvatting wekt de indruk dat Wilde wellicht wilde waarschuwen tegen de vreselijke gevolgen van Estheticisme, maar de lezers anno 1890 wisten wel beter: de auteur vond het juist je van het. Het manuscript van het boek werd door uitgevers twee keer gekuist: bij de eerste publicatie in een tijdschrift en het jaar daarop nog eens, toen het voor het eerst in boekvorm verscheen. Dit jaar is voor het eerst een ‘originele versie’ van Wildes manuscript verschenen, zonder de coupures. In die tekstkritische uitgave blijkt dat de censurerende uitgevers het onder andere op meer expliciete aanduidingen voor de homoseksualiteit van de hoofdpersonen voorzien hadden. Helaas is dat een aspect van de Esthetische beweging dat makers van de tentoonstelling volledig uit de weg gaan – er schuilt inderdaad iets homo-erotisch in al dat Schwärmen met schoonheid, waarbij seksuele verlangens geësthetiseerd en daarmee gesublimeerd worden.

De schoonheid van het Estheticisme is de onze niet meer – al die schilderijen en voorwerpen komen ons ouderwets voor, op z’n best curieus. Hetzelfde geldt voor de suggestie van morele provocatie die er ooit van uitging. De Britse romanschrijver Will Self heeft in 2002 een poging gedaan de provocatie van Dorian Gray in een roman naar de huidige tijd te vertalen – het schilderij is dan een video-installatie geworden, en de misdaad van Dorian is dan dat hij willens en wetens zo veel mogelijk mensen met hiv besmet. In tegenstelling tot in 1890 is het in 2002 rustig gebleven.

De betekenis van deze tentoonstelling ligt, denk ik, ergens anders: in de demonstratie van het gemak waarmee de ideeën van de kunstzinnige avant-garde van vandaag, morgen door de industrie kunnen worden omgezet in designproducten voor de middenklasse. Want dat is nog altijd de functie van design: het geeft brede groepen in de samenleving het idee deel te hebben aan vernieuwing. Voor de aldus seriematig vervaardigde voorwerpen heeft men dan graag een exorbitante prijs over, omdat ze de bezitter het idee geven helemaal bij de tijd te zijn. Daarom is het voor een samenleving ook zo belangrijk zijn avant-gardisten in ere te houden: je kunt nooit weten.

Beauté, morale et volupté is tot 15/1 te zien in het Musée d’Orsay in Parijs. Inl. musee-orsay.fr. Oscar Wilde, ‘The Picture of Dorian Gray: An Annotated’, Uncensored Edition. Redactie: Nicholas Frankel. Harvard University Press, 2011.