Subsidies dienen het heil der natie

In het debat over kunstsubsidies wordt gedaan alsof subsidies een uitkering zijn. Terwijl ze worden verleend in het algemeen belang, betoogt schrijver en filosoof Marjolijn Februari.

Subsidieverlening is geen inkomenspolitiek. Het is de grote fout geweest van de kunstsector dat ze zich tijdens deze bezuinigingsronde heeft laten meeslepen in een gesprek over inkomen. Een subsidie is geen uitkering, geen toelage die het kwetsbare en onzelfstandige individu overeind moet houden. Subsidies worden verstrekt voor het heil der natie.

Laat ik, voordat ik meer verstandige dingen over subsidiëring zeg, eerst eens een taboe doorbreken. De etiquette verbiedt ons over geld te spreken. Ik merk dan ook steevast dat het onderwerp tot gêne leidt, maar het moet maar eens gezegd dat de overheid schrijvers nooit voor hun werk betaalt. Uit mijn jarenlange, gemengde praktijk – deels binnen de wereld van de letteren, deels erbuiten – weet ik wat het verschil in waardering is voor schrijvers en juristen. Als een schrijver al voor opdrachten in de publieke sector wordt betaald, ligt het tarief gauw twintig keer lager dan dat van een adviseur. Verbazingwekkender is nog dat schrijvers meestal gratis worden opgetrommeld, vooral door universiteiten, ministeries en maatschappelijke organisaties.

In mijn literaire praktijk stromen althans de opdrachten binnen en ik kan gemakkelijk een bureau beginnen met tien medewerkers die allemaal voor niets werken. Of ik hoogleraar filosofie en literatuur wil worden, gratis. Adviseur letteren, gratis. Voorzitter commissie letteren van de Raad voor Cultuur, gratis. Of ik gratis een essay wil schrijven van tachtig pagina’s voor een wetenschappelijke stichting. Of ik de prestigieuze Huppelepup-lezing wil houden, van drie kwartier, publicatie achteraf in een glossy boekje, graag ‘op wetenschappelijk niveau’. Gratis. Je zou haast denken dat Nederland geen schrijvers wil, want het spuugt op schrijvers. Het geeft geld uit aan hoogleraren literatuurwetenschap, aan museumdirecteuren, aan ambtenaren met letteren in hun portefeuille, aan consultancy- en tekstbureaus. Maar niet aan schrijvers. Geef toe, als je schrijver bent is dit een lastig uitgangspunt voor je ondernemingsplan.

Terug naar de subsidiëring. Als je het schrijven inderdaad wilt opvatten als een onderneming, en vooruit dan maar, is het verwerven van een subsidie geen schande. Er is geen onderneming in Nederland te vinden die niet direct of indirect steun krijgt van de overheid; zo is Philips onbetwist een van de grootste afnemers van subsidie – toch hoeven werknemers zich nooit te verantwoorden voor het feit dat hun inkomen afhankelijk is van de overheid. En terecht. Als de overheid belang heeft bij het verstrekken van subsidie, houdt een verstandige ondernemer rekening met het bestaan daarvan.

En daarmee is het belangrijkste gezegd: het is de overheid, de samenleving, die belang heeft bij het verstrekken van subsidie; middels die subsidie wil ze de beslissingen van de kunstenaar beïnvloeden. Waar komt dan toch die schamperheid vandaan over de kunstsubsidie? Vreemd genoeg – ik weet al niet meer waarom – ben ik ooit als jurist afgestudeerd op een verhaal over ‘doelstellingen van subsidiebeleid’. Het is zo’n geleerd stuk dat ik het nu nauwelijks nog begrijp, maar ik herken nog wel de boodschap dat de overheid in het algemeen economische steun verleent ‘met het oog op publieke belangen’ zoals de maatschappelijke orde, de werkgelegenheid, het onderwijsniveau of het vestigingsklimaat. De overheid wil wat, de samenleving wil wat, en dus worden ondernemers verleid iets te doen ten laste van de openbare middelen. Wij willen romans, roept de samenleving, en de schrijver is niet zo goed of hij schrijft er eentje.

Met het debat over kunst komt het niet goed als je niet eerst dit misverstand uit de weg ruimt. Een subsidie is geen uitkering. Natuurlijk zijn er ondernemingen die te afhankelijk zijn van subsidie, maar dat is pathologie en op pathologie voer je geen algemeen beleid. Dat ook de staatssecretaris op dit punt in verwarring is, blijkt wel uit de brief van juni waarin hij zijn visie op het cultuurbeleid uiteenzet; op bijna iedere bladzijde schrijft hij dat ‘bij makers en instellingen niet de oriëntatie op subsidie (voorop moet staan), maar de mogelijkheden om eigen inkomsten te verwerven’. Jawel. Dat is tegelijk waar en grotendeels irrelevant. Het is waar omdat je als ondernemer nu eenmaal altijd je risico’s moet spreiden. En het is irrelevant, omdat de overheid zich niet allereerst zorgen moet maken om de financiering van de onderneming maar om het publieke belang.

Wat wil Nederland van kunst? Wat wil het van schrijvers? Dat is de vraag die je moet stellen in het cultuurbeleid. Natuurlijk verandert het antwoord op die vraag wanneer het politieke denken in het land verandert. Het is geen ramp als de samenleving zo nu en dan probeert de kunst een andere richting in te duwen, en dat een nieuwe regering met haar cultuurbeleid andere doelen nastreeft dan een vorige regering is vanzelfsprekend. Maar het geeft wel te denken dat die richting ook nu weer, zoals altijd, wegvoert van de levende kunst. Met zijn oproep vooral ‘minder budget te besteden aan werkbeurzen voor auteurs’ bevestigt de staatssecretaris dat Nederland liever geld uitgeeft aan hoogleraren literatuurgeschiedenis en medewerkers letteren dan aan schrijvers.

Wat is het toch met die schrijvers? Wil Nederland dan echt helemaal niets van ze? Het gekke is, dat Nederland volgens mij juist heel veel van ze wil. Als ik het maatschappelijke beroep op schrijvers bekijk, kom ik tot de conclusie dat ze een belangrijke publieke functie vervullen – dat ze moeten meedenken, adviseren, lezingen geven, aanzitten, brainstormen, teksten schrijven, commentaar leveren en opiniëren. Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.

Marjolijn Februari (1963) studeerde kunstgeschiedenis, filosofie en recht. Ze promoveerde in de filosofie op de relatie tussen economie en ethiek. In 2007 verscheen haar laatste roman De literaire kring. Sinds ruim een jaar is ze columnist op de opiniepagina van deze krant.