Moordplot Teheran heeft losse eindjes

Justitie in de VS heeft geen bewijs dat Iran een Saoedische diplomaat wilde laten vermoorden. De spanning in de regio loopt meteen op. Dit is precies wat sunnitisch Saoedi-Arabië van shi’itisch Iran verwacht.

Het leest als een script uit Hollywood, zei de FBI bij de onthulling dinsdag van een complot van Iran om de ambassadeur van Saoedi-Arabië in Amerika te laten vermoorden door Mexicaanse bendeleden. Maar dan wel een script met veel losse eindjes. Dat beeld ontstaat uit de officiële aanklacht van de FBI tegen de spil van het complot, de Iraans-Amerikaanse handelaar in tweedehandsauto’s Mansour Arbabsiar.

Amerikaanse regeringsfunctionarissen zeiden gisteren dat het „meer dan waarschijnlijk” was dat de Iraanse opperste leider, ayatollah Ali Khamenei, en de commandant van de Quds-brigade van de Revolutionaire Garde vooraf kennis hadden van het complot of dat hebben goedgekeurd.

Maar wie denkt zo’n reconstructie te kunnen maken van het moordcomplot op basis van de vrijgegeven informatie van de FBI, komt bedrogen uit. De grote lijnen van het complot worden geschetst, maar de details ontbreken in het 21-pagina’s tellende document. Net als de antwoorden op cruciale vragen.

Eerst de grote lijnen. In de lente van dit jaar is Arbabsiar, woonachtig in Texas, op bezoek in Iran. Daar wordt hij door een neef gevraagd om te helpen bij de ontvoering van de Saoedische ambassadeur in de VS. Deze neef is voor zover Arbabsiar weet een hoge officier van de Quds-brigade, een elite-eenheid van de Iraanse Revolutionaire Garde. Hij adviseert Arbabsiar om contact te zoeken met drugscriminelen, omdat zij opdrachten uitvoeren voor geld.

Op 24 mei ontmoet Arbabsiar, die voor zaken regelmatig naar Mexico reist, de man die het complot moet uitvoeren, een Mexicaan die zegt dat hij lid is van een berucht drugskartel en om kan gaan met explosieven. Na een paar gesprekken besluiten ze dat de Mexicaan de Saoedische ambassadeur zal vermoorden, geholpen door vier handlangers. Arbabsiar is pragmatisch: de Mexicaan moet zelf maar inschatten wat de handigste manier is om de ambassadeur te doden, een kogel of een bom. Als daar Amerikaanse burgers bij omkomen? Geen probleem, zegt Arbabsiar.

Op 28 september komt het moordcomplot vroegtijdig ten einde met de arrestatie van Arbabsiar op het internationale vliegveld JFK in New York. Al die tijd werkte zijn Mexicaanse huurmoordenaar als informant voor de DEA, de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst. Het was ook deze Mexicaan, in de aanklacht aangeduid als CS-1, die de Amerikaanse autoriteiten voor het eerst wees op het opmerkelijke verzoek van Arbabsiar om een aanslag te beramen.

Dinsdag werd Arbabsiar voorgeleid in New York, een sjofele 56-jarige man met een groot litteken op zijn kaak. De Amerikaanse regering zegt dat Arbabsiar werd aangestuurd door hooggeplaatste functionarissen in Iran en beraadt zich op nieuwe strafmaatregelen tegen het land. De Amerikaanse verontwaardiging kreeg bijval in Saoedi-Arabië en Europa.

Maar als er al bewijs bestaat dat belangrijke spelers binnen het Iraanse regime wisten van de plannen van de autohandelaar uit Texas, dan is dat niet te vinden in de aanklacht. De enige Iraniër die door de FBI bij naam wordt genoemd is Ali Gholam Shakuri, een tussenpersoon die volgens Arbabsiar zorgde voor het geld voor de huurmoordenaars en boodschappen doorgaf van de Quds-brigade. Volgens Arbabsiar maakt Shakuri zelf geen deel uit van de Quds-brigade, maar was de man een assistent van zijn neef, wel een „belangrijke generaal”. In de aanklacht wordt zijn naam niet genoemd, maar volgens het ministerie van Financiën gaat het om Abdul Reza Shahlai, die al in 2008 op de Amerikaanse sanctielijst was gezet wegens vijandige activiteit in Irak.

Shakuri is de enige Iraniër van wie de FBI onomstotelijk heeft kunnen vaststellen dat hij contact had met Arbabsiar. Ze lieten Arbabsiar na zijn arrestatie drie keer met Shakuri bellen, gesprekken waarin de autohandelaar veinsde dat hij in Mexico was, waar hij als levend onderpand afwachtte tot de Mexicanen de aanslag hadden uitgevoerd en de rest van hun gage hadden ontvangen, volgens de FBI in totaal 1,5 miljoen dollar.

Het bewijs voor Arbabsiars andere contacten, ‘hooggeplaatste elementen’ bij de Quds-brigade, leunt op het woord van de autohandelaar. De FBI heeft geen afgetapte telefoongesprekken met andere Iraniërs dan Shakuri. Wel wist Arbabsiar een vermeende Quds-officier die hij zei te hebben ontmoet in Iran te identificeren op een foto.

Een aantal van de ontbrekende puzzelstukjes in de aanklacht is sinds de onthulling van het moordcomplot opgedoken in de Amerikaanse media. Onder meer de New York Times schrijft details te hebben doorgekregen uit anonieme overheidsbronnen.

De meeste van deze details zijn intrigerend, maar niet doorslaggevend – bijvoorbeeld dat Arbabsiar via een tante van CS-1 in Texas in contact kwam met de Mexicaanse drugscrimineel. En dat CS-1 lid is van Los Zetas, een van Mexico’s grootste en gewelddadigste drugskartels.

Anonieme bronnen binnen de Amerikaanse overheid hebben ook aan journalisten verteld dat Arbabsiar en de Mexicaan aanslagen bespraken op de Israëlische ambassade in Washington en de ambassades van Israël en Saoedi-Arabië in Argentinië. In de officiële aanklacht wordt wel gezegd dat de samenzweerders naast de Saoedische ambassadeur ook andere doelen hadden, maar precieze details worden niet gegeven.

Eén puzzelstukje dat wel in de media circuleert maar niet in de aanklacht staat, is cruciaal: het voorschot voor de moord zou zijn getraceerd naar een rekening van de Quds-brigade. Dat schrijft de New York Times. In het FBI-verslag staat niet meer dan dat Arbabsiar verklaarde dat het geld „uit Iran” kwam. Als er een onomstotelijk bewijs is in dit Hollywoodscript, waarom presenteert de FBI het niet?